Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/424

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

XXI.
DE ZWAAN.


Toen Bobs broer heengegaan was, bleef het scheepje nog eenigen tijd rustig liggen en wij hoorden slechts het loeien van den wind door het tuig en het lekken van de golven tegen de kiel; maar langzamerhand kwam er meer beweging; wij onderscheidden voetstappen op het dek; men liet trossen vallen; spillen knarsten; kettingen werden op- en afgewonden; men wentelde den kaapstander; er werd een zeil geheschen; het roer kraakte en eensklaps wierp wij het schip zich op de linkerzijde, het schommelen begon waren in zee. Ik was gered.

Eerst langzaam en zacht, werd het slingeren al sneller en sterker, het schip daalde en rees en weldra sloegen de golven nu eens tegen de eene, dan tegen de andere zijde.

— Arme Mattia! zeide ik tot mijn vriend, terwijl ik zijne hand greep.

— Dat doet er niets toe, zeide hij; gij zijt gered; bovendien, ik wist wel, dat het zoo zijn zou; toen wij in het rijtuig zaten, zag ik hoe de wind de boomen deed heen-en-weer gaan en ik zei bij mij zelven, dat wij op zee ook zoo dansen zouden.

Op dat oogenblik werd de deur van de kajuit geopend.

— Als gij op het dek wilt komen, zeide de broer van Bob, kunt gij het doen; er is geen gevaar meer.

— Wanneer voelt men 't minst van de zeeziekte? vroeg Mattia.

— Als men ligt.

— Dank u; dan blijf ik liggen.

En hij strekte zich in zijne volle lengte op den grond uit.

— De kajuitsjongen zal u geven wat gij noodig hebt, zeide de kapitein.

— Dank u; als hij maar niet te lang weg blijft, zal 't mij aangenaam zijn, antwoordde Mattia.

— Nu al?

— 't Is al lang geleden begonnen.

Ik wilde bij hem blijven, maar hij zond mij naar het dek en herhaalde nog:

— 't Is niemendal; gij zijt gered; het komt er niets op aan, ik heb mij nooit voorgesteld, dat het prettig zou zijn zeeziek te wezen.

Op het dek gekomen, kon ik mij niet staande houden dan door mij stevig aan de touwen vast te grijpen. Zoo ver mijn oog kon doordringen in de dichte duisternis van den nacht, zag ik niets dan een witte schuimende vlakte, waarover ons scheepje zich bewoog,