Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/427

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Wij spreidden de kaart op het gras uit en zochten de rivier het meest in de nabijheid. Wij vonden de Seine.

— Welnu, laten wij dan de Seine opzoeken.

— De Seine loopt door Parijs.

— Wat doet er dat toe?

— Heel veel. Ik heb Vitalis hooren zeggen, dat als men iemand vinden wilde, men hem dan te Parijs moest zoeken. Als de engelsche politie mij zocht om dien diefstal in de Sint-Georgekerk, zou ik niet gaarne door haar gevonden worden: daarvoor behoefden wij waarlijk Engeland niet te ontvluchten.

— Kan de engelsche politie u dan in Frankrijk vervolgen? Dat weet ik niet, maar als dit zoo is, moeten wij niet naar Parijs gaan.

— Kan men de Seine niet volgen tot aan de omstreken van Parijs en ze dan verlaten, om ze een eind verder weder op te zoeken? Ik zou ook niet gaarne Garofoli terugzien.

— Dat kan ik denken.

— Welnu laten wij dan dit doen: alle varensgezellen en bewoners van den oever langs de geheele rivier ondervragen; en daar er maar ééne Zwaan is met eene veranda en geen ander schip haar gelijkt, zal men haar wel hebben opgemerkt op de Seine. Als wij ze op de Seine niet vinden, zullen wij haar zoeken op de Loire, op de Garonne, op al de rivieren van Frankrijk en eindelijk zullen wij haar wel vinden.

Tegen dat idée van Mattia kon ik niets inbrengen. Wij besloten dus de Seine op te zoeken en den oever ervan te volgen.

Nadat wij voor ons zelven hadden gezorgd, was het tijd om ook aan Capi te denken. Zoo lang hij geel was geverfd, was hij voor mij mijn Capi niet. Wij kochten zachte zeep en in het eerste water, dat wij tegenkwamen, waschten wij hem flink af, elkander aflossende, als wij moe waren.

Maar de verf van onzen vriend Bob was van eene uitstekende hoedanigheid; wij moesten den hond een langen tijd baden en bij herhaling met zeep insmeren. Toch zouden er weken en maanden noodig zijn eer Capi zijne oorspronkelijke kleur terugkreeg. Gelukkig is Normandie het land van het water en elken dag konden wij Capi onderhanden nemen.

Over Bayeux. Caen. Pont-d'Evêque en Pont-d'Audemer kwamen wij aan de Seine bij LaBouille.

Toen van de boschrijke hoogten, waarheen een lommerrijke holle weg leidde, wij, na den geheelen dag geloopen te hebben, opeens de Seine vóór ons zagen, die eene breede bocht beschreef, waarvan onze heuvel het middelpunt uitmaakte, en op wier kalme, machtige golven tal van schepen met witte zeilen en stoombooten, wier rook tot ons opsteeg, statig voortdreven, riep Mattia uit, dat dit schouw-