Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/436

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

en paden zag men door het geopend traliehek of de houten deur, net onderhouden lanen, die zich om grasperken slingerden of door dichte boschjes van bloemen of struiken; en in het groen verscholen lag daar een fraai huis of eene bevallige villa met slingerplanten bedekt. En voor al die groote en kleine woningen had men door het geboomte uitzichten gehouwen op het spiegelheldere meer en zijne omlijsting van sombere bergen.

Die tuinen brachten ons soms tot wanhoop, want daar zij ons op een afstand van de huizen hielden, konden wij ons niet doen hooren door de bewoners, als wij niet zoo luid mogelijk speelden en zongen, wat zeer vermoeiend is, wanneer men van den vroegen morgen tot den laten avond daartoe verplicht is.

Op een namiddag gaven wij een concert op straat; vóór ons was er slechts een getralied hek en achter ons een blinde muur, waarop wij geen acht sloegen. Ik had zoo luid ik kon het eerste couplet gezongen van mijn napolitaansch lied, en zou juist het tweede couplet beginnen, toen wij het opeens achter ons hoorden zingen, aan gene zijde van den muur, maar zwak en met eene onbekende stem.

Van wie kon die stem zijn?

— Van Arthur? vroeg Mattia.

Neen, het was Arthur niet; ik herkende diens stem althans niet; en toch liet Capi een gesmoord blaffen hooren en gaf alle teekenen van blijdschap, terwijl hij tegen den muur opsprong.

Ik was niet instaat mij langer te bedwingen, maar riep:

— Wie zingt daar?

En de stem antwoordde: Rémi.

Mijn naam, inplaats van een antwoord. Mattia en ik zagen elkander onthutst aan.

Terwijl wij elkander sprakeloos stonden aan te staren, zag ik achter Mattia een witten zakdoek in den wind fladderen; wij snelden naar die zijde heen.

Eerst toen wij aan de heg daar ter plaatse kwamen, zagen wij de persoon, aan wie de arm behoorde, die met den zakdoek had gezwaaid.... Het was Lize.

Eindelijk hadden wij haar dan gevonden en met haar mevrouw Milligan en Arthur.

Maar wie had gezongen? Dat was de vraag, die wij haar gelijktijdig deden. Mattia zoowel als ik, zoodra wij instaat waren een woord te uiten.

— Ik, zeide zij.

Lize zong! Lize sprak!

Wel is waar had ik tallooze malen hooren verzekeren, dat Lize eenmaal hare stem zou terugkrijgen en waarschijnlijk tengevolge eener heftige gemoedsaandoening, maar ik had nooit kunnen gelooven, dat dit mogelijk zou zijn.