Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/439

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Nogmaals omhelsde zij mij, en na Mattia de hand te hebben gegeven, verwijderde zij zich met rasse schreden.

— Wat hebt gij aan mevrouw Milligan verteld? vroeg ik aan Mattia.

— Alles wat zij u verhaald heeft en nog 't een en ander. 0, 't is zoo'n goede, lieve vrouw!

— En Arthur? Hebt gij dien gezien?

— Van verre; genoeg evenwel om te weten, dat hij een goede jongen is.

Ik ging voort met Mattia te ondervragen, maar hij gaf ontwijkende antwoorden of wel zoo, dat ik er maar de helft van begreep. Toen spraken wij over onverschillige dingen tot op het oogenblik waarop wij ons, zooals mevrouw Milligan ons had gezegd, aan het hôtel des Alpes aanmeldden. Ofschoon wij nog onze armelijke kleeren van straatmuzikanten droegen, werden wij zeer beleefd ontvangen door een knecht in een zwarten rok met een witte das, die ons naar onze kamer bracht. Wat was dat eene mooie kamer! Er stonden twee ledekanten met hagelwit beddegoed; de ramen kwamen uit op eene veranda met het uitzicht op het meer en het prachtige landschap aan zijne oevers. Toen wij van de veranda eindelijk weder in onze kamer terugkeerden, stond daar nog altijd onbeweeglijk de knecht, die op onze bevelen wachtte. Hij vroeg ons wat wij voor ons middagmaal verlangden, dat hij ons op de veranda brengen zou.

— Hebt ge taart? vroeg Mattia.

— Pruimen-taart, aardbeziën-taart, aalbessen-taart.

— Nu, geef ons dan maar van die taarten.

— Van alle drie?

— Zeker.

— En wat dan eerst? welk vleesch, welke groente?

Bij al wat de knecht zeide, zette Mattia groote oogen op, maar hij werd volstrekt niet verlegen.

— Wat ge wilt, zeide hij.

De knecht ging deftig heen.

— Ik geloof, zeide Mattia, dat wij hier beter zullen eten dan bij de familie Driscoll.

Den anderen morgen kwam mevrouw Milligan ons een bezoek brengen; zij bracht een kleermaker en eene linnennaaister mede, die ons de maat namen voor kleeren en ondergoed.

Zij vertelde ons dat Lize nog altijd voortging met zich in het spreken te oefenen en dat de dokter verklaard had, dat zij thans genezen was. Nadat zij een uur bij ons was geweest, ging zij heen en kuste mij weder en gaf Mattia de hand.

Zij kwam vier dagen achtereen en elken dag was zij liever en teederder voor mij, maar ik bemerkte toch zekere terughouding;