Waar was die heerlijke winkel, die ze mij leveren zou?
Dien winkel zocht ik het overige, torens, kapiteelen en zuilen, niets boezemde mij eenig belang in.
Het eenige wat ik mij ook van Ussel nog herinner, is die sombere bedompte winkel in de nabijheid van de markt. Voor de deur stonden oude geweren, een jas die met zilveren epauletten versierd was, eenige lampen en in een groote mand lagen verscheiden verroeste sloten en sleutels.
Wij moesten drie trappen afdalen om in den winkel te komen; wij kwamen toen in een groot vertrek, waarin het zonlicht stellig nooit was doorgedrongen, sedert het dak op het huis gezet was.
Hoe was het mogelijk, dat zulke fraaie zaken als schoenen op zulk een afschuwelijke plaats verkocht werden!
Vitalis wist echter best wat hij deed, toen hij dezen winkel uitkoos en spoedig smaakte ik het genot van schoenen met spijkers te mogen aantrekken, die wel tienmaal zoo zwaar wogen als mijn klompen.
Hiertoe bepaalde zich de edelmoedigheid van mijn meester niet; hij kocht mij een blauw fluweelen jas, een bombazijnen broek en een kastoren hoed; kortom alles wat hij mij beloofd had.
Ik zou een fluweelen jas krijgen, ik die tot nu toe niets dan katoen gedragen had; en schoenen, en een hoed! en ik had tot hoofddeksel nooit anders dan mijn haren gehad; hij was bepaald de beste man ter wereld, ongetwijfeld de edelste en rijkste.
Het fluweel was, wel is waar, eenigszins vergaan en het bombazijn wat versleten; ook kon men moeielijk de kleur meer onderscheiden van het kastoor, zoozeer was hij door den regen en het stof gehavend geworden; maar verblind door zooveel pracht, was ik ongevoelig voor de gebreken, die zich onder hun glans verscholen. Ik verlangde vurig om die nieuwe kleederen aan te trekken, maar vóór ik ze aantrok deed Vitalis ze een verandering ondergaan, die mij innig leed deed.
Toen wij in de herberg terugkwamen, haalde hij zijn schaar uit zijn tasch te voorschijn en sneed de beide pijpen van mijn broek af, ongeveer op de hoogte van de knieën.
Terwijl ik hem met verbazing gadesloeg, zeide hij:
— Dit is het eenige middel om u niet op iedereen te doen gelijken. Wij zijn in Frankrijk en nu kleed ik u als een Italiaan; wanneer wij naar Italië gaan, wat zeer wel mogelijk is, dan kleed ik u als een Franschman.
Deze uitlegging deed mij niet van mijn verbazing bekomen.
— Wat zijn wij? Kunstenmakers nietwaar? komediespelers, die door hun uiterlijk de aandacht moeten trekken. Meent gij, dat wanneer wij zoo straks als eerzame burgers gekleed naar de een of andere publieke plaats gaan, iemand voor ons zou blijven stilstaan om ons aan te kijken? Neen, nietwaar? Weet, dat in het leven