Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/441

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

brief, waaruit dit blijkt. Hij heeft medegedeeld hoe hij het kind heeft gestolen en te Parijs heeft achtergelaten in de avenue de Breteuil; hoe hij de voorzorg had genomen om de merken van de kleeren af te knippen, opdat ze niet tot eene herkenning zouden leiden. Daar zijn die kleeren, die bewaard zijn door de brave vrouw, welke zoo belangeloos mijn zoon heeft opgevoed. Wilt gij dien brief lezen? wilt gij die kleeren zien?

— De heer James Milligan stond een oogenblik sprakeloos; misschien dacht hij eraan of hij ons maar niet allen verworgen zou. Eensklaps ging hij naar de deur; maar vóór hij de kamer uit was, keerde hij zich om.

— Wij zullen eens zien, zeide hij, hoe de rechters zullen oordeelen over een ondergeschoven kind.

Zonder de minste ontroering sprak mevrouw Milligan — thans mag ik zeggen mijne moeder:

— Gij kunt mij voor den rechter dagen; ik voor mij zal nooit den broeder van mijn echtgenoot ter verantwoording roepen.

De deur ging achter mijn oom dicht; toen kon ik mij in de armen mijner moeder werpen, die mij vurig aan 't hart drukte en die ik voor de eerste maal durfde kussen, terwijl ze ook mijn lietkoozingen beantwoordde.

Toen onze ontroering een weinig bedaard was, kwam Mattia naar ons toe:

— Zeg nu eens aan uw mama, dat ik goed een geheim kan bewaren.

— Wist gij dan alles? vroeg ik.

Mijne moeder gaf daarop ten antwoord:

— Toen Mattia mij alles verteld had,verzocht ik hem te zwijgen want ik was overtuigd, dat de arme kleine Rémi mijn zoon was. Maar ik moest zekere bewijzen hebben, opdat er geen dwaling meer mogelijk was. Hoe smartelijk zou het voor u geweest zijn, lief kind, als ik u eenmaal mijn zoon genoemd had, te ontdekken, dat wij ons hadden vergist! Die bewijzen hebben wij nu; en thans zijn wij voor altijd met elkander vereenigd Voor altijd zult gij nu leven met uwe moeder en uw broer en hier wees zij op Lize en Mattia met hen die u liefgehad hebben, toen gij ongelukkig waart.




XXIII.
MET DE MIJNEN.

Jaren zijn voorbijgegaan, vele jaren zelfs, maar zij zijn omgevlogen, omdat zij slechts goede en gelukkige dagen hebben opgeleverd.