Thans woon ik in Engeland, in Milligan-Park, het kasteel van mijne voorvaders.
Het kind zonder ouders, zonder steun, te vondeling gelegd en verlaten, ten prooi aan de wisselvalligheden van het lot, zonder baak om hem den weg te wijzen op die onafzienbare zee, waarop hij rondzwalkte, zonder haven waarheen hij zich kon richten, heeft niet slechts eene moeder en een broeder, die hij liefheeft en die hem liefhebben, maar ook voorouders, die hem een naam hebben nagelaten, door het gansche land geëerd, en een aanzienlijk vermogen.
De kleine ongelukkige knaap, die als kind zoo menigen nacht in schuren en stallen heeft doorgebracht of in een uithoek van het bosch onder den blooten hemel, is thans de erfgenaam van een voornaam geslacht, in het bezit van een kasteel in de geschiedenis vermaard, dat door de nieuwsgierigen wordt bezocht en in alle reisboeken vermeld en geroemd.
Op een twintig mijlen ten westen van de plek, waar ik scheepging, vervolgd door de politie, ligt dat kasteel op een helling, omringd door een lommerrijk bosch, ondanks de nabijheid van de zee. Het is gebouwd op een terras door de natuur zelve gevormd; het heeft de gedaante van een kubus en op elken hoek staat een zware ronde toren. De twee gevels naar het zuiden en westen gekeerd, zijn bedekt met slingerplanten en klimmende rozen; die van het noorden en oosten met klimop, met stammen zoo dik als een mensch, die getuigen van zijn hoogen ouderdom, en al de zorgen van de tuinlieden zijn noodig om te verhoeden dat zijn weelderige groei onder donker loof de arabesken en andere ornementen bedekt, die zoo kunstig gehouwen zijn in de witte steen, welke de vensters en deuren omlijst. Het is door een uitgestrekt park omringd. Daarin groeien oude boomen, die nog nooit gesnoeid of geveld zijn en levende beken stroomen erdoorheen, welke groeikracht schenken aan de altijd groene grasperken. In een bosch van hoog opgaand hout nestelen oude kraaien, die elken nacht door haar gekras het begin en het einde van den dag verkondigen.
Op dit oude kasteel van Milligan-Park woon ik nu met mijne familie: mijne moeder, mijn broer en mijne vrouw. Wij zijn daar sedert zes maanden gevestigd. Vele uren heb ik reeds doorgebracht in de bibliotheek, waarin de oude archieven, de eigendomstitels, de familiepapieren bewaard worden. Ik zit daar aan eene groote eikenhouten tafel, zwart van ouderdom en schrijf. Maar het zijn niet die archieven of familiepapieren welke ik zoo nauwkeurig naga, maar het boek mijner eigen geschiedenis, dat ik doorblader en in orde breng.
Wij zullen ons eerste kind laten doopen, onzen kleinen Mattia, en bij gelegenheid van dien doop, die op het kasteel mijner vaderen