vermakelijkheden van gansch Engeland is geworden, alsmede zijn broer, die nog altijd het bevel voert over de Eclipse.
Op dat oogenblik drong het geratel van een rijtuig tot ons door, en bijna terstond daarop dat van een tweede. Wij snellen naar het venster en zien de break, waarin Lize haar vader herkent, met hare tante Katharina, hare zuster Martha en hare broeders Alexis en Benjamin; naast Alexis zit een grijsaard met witte haren en gebogen gestalte: het is de meester.
Van den anderen kant komt tegelijk de open landauer, waarin Mattia en Cristina zijn gezeten, die ons toewuiven met de hand. En achter den landauer volgt eene cabriolet, waarvan Bob zelf het paard ment. Bob ziet er uit als een voornaam heer en zijn broer is nog altijd de ruwe zeeman, die ons naar Isigny bracht.
Wij snellen ijlings de trap af, om onze gasten beneden aan het bordes te ontvangen.
Het diné vereenigde ons allen aan dezelfde tafel en natuurlijk spraken wij over het verleden.
— Onlangs, zeide Mattia, heb ik in de speelzaal te Baden een engelsch heer ontmoet met witte puntige tanden, die bijna altijd glimlachte, ondanks zijn tegenspoed in het spel; hij heeft mij niet herkend, en mij de eer bewezen een gulden van mij te leenen om dien zóó op te zetten, dat hij zeker winnen moest; het was eene zeer vernuftige berekening, maar dien avond gelukte zij niet: de heer James Milligan verloor.
— Waarom vertelt gij dat, nu Rémi erbij is, mijn beste Mattia? vroeg mijne moeder; hij is instaat om zijn oom onderstand te zenden.
— Zeker, mama.
— Waarin zou dan zijne boete bestaan? vroeg mijne moeder.
— Hierin, dat mijn oom, die alles heeft opgeofferd om fortuin te krijgen, zijn onderstand zal verschuldigd zijn aan hem, dien hij vervolgd heeft en getracht heeft te doen omkomen.
— Ik heb nog 't een en ander vernomen omtrent zijne medeplichtigen, zeide Bob.
— Omtrent dien afschuwelijken Driscoll? vroeg Mattia.
— Niet van Driscoll zelf, die nog altijd aan de overzijde van den Oceaan is, maar van de familie Driscoll. Vrouw Driscoll is verbrand, eens dat zij op den haard was gaan liggen, inplaats van op tafel, en Allen en Ned zijn veroordeeld om hun gansche leven in eene strafkolonie door te brengen; zij vinden daar hun vader.
— En Kate?
— De kleine Kate past haar grootvader op, die nog altijd leeft; zij wonen in De Roode Leeuw;de oude heeft geld; zij zijn niet ongelukkig.
— Als zij kouëlijk is, zeide Mattia lachend, dan beklaag ik haar, want de oude heeft niet graag, dat men te dicht bij den haard komt.
Bij die herinneringen aan het verleden had ieder wat te ver-