tellen; hadden wij niet allen gebeurtenissen te herdenken, waarbij ieder onzer van meer of minder nabij betrokken was en waarover wij allen gaarne spraken, want zij vormden den band, die ons samen verbond.
Toen het diné afgeloopen was, trok Mattia mij terzijde bij een der ramen.!
— Ik heb een idée, zeide hij wij hebben zoo dikwijls muziek gemaakt voor onverschilligen; thans mochten wij wel wat muziek maken voor hen, die ons dierbaar zijn.
— Is er dan geen genot zonder muziek voor u? Altijd, overal en in alle omstandigheden muziek: denk eens aan de koe, die er zoo bang voor was.
— Wilt gij het napolitaansche lied eens spelen?
— Met genoegen; want dat heeft ook Lize hare spraak teruggegeven.
Wij namen onze instrumenten. In eene fraaie, met fluweel bekleede kist had Mattia eene oude viool, die misschien wel een gulden zou opbrengen als wij haar verkochten, en ik haalde de oude harp, waarvan het hout onder de tallooze regenbujen zijne oorspronkelijke kleur had teruggekregen.
Men vormde een kring om ons, maar op dat oogenblik kwam er een hond, een poedel, binnen. Hij is erg oud geworden, de goede Capi; hij is doof, maar zijn gezicht is nog goed. Op het kussen liggende, waarop hij zijne dagen doorbrengt, heeft hij de harp herkend en hij komt hinkend naderbij, om de „voorstelling". Hij heeft een bakje in zijn bek; hij wil de ronde doen bij het „geëerd publiek", op zijn achterpooten loopende; maar de krachten ontbreken hem; hij zet zich neder en groet het gezelschap deftig met een poot op zijn hart.
Toen ons lied uit was stond Capi op, zoo goed en zoo kwaad als het ging. Ieder legde zijne gift in het bakje en Capi, getroffen door de milde giften, bracht het bij mij. Het was de mooiste inzameling, die hij ooit gedaan had; er lag slechts zilver en goud op: tachtig gulden. Ik kuste hem op zijn snuit, zooals voorheen, toen hij mij troostte en die herinnering aan de armoede mijner kindsheid deed een denkbeeld bij mij rijzen, dat ik terstond uitte:
— Die som zal de eerste bijdrage zijn voor een verplegingsen toevluchtsoord voor kleine straatmuzikanten; mijne moeder en ik zullen het overige geven.
— Lieve mama, zeide Mattia, terwijl hij de hand kuste mijner moeder, mag ik een klein aandeel in dat goede werk dragen? Als gij het toestemt zal de opbrengst van mijn eerste concert, te Londen gevoegd worden bij hetgeen Capi ontvangen heeft.
EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.