Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/47

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Terwijl ik hierover stond te denken en de armen slap langs mijn lijf liet hangen, een weinig voorovergebogen en met half geopenden mond, niet wetende, waarmede te beginnen, klapte mijn meester in de handen en riep lachend uit:

— Bravo! bravo! dat is uitmuntend. Uw mimiek is uitstekend. De knaap, dien ik vóór u had, zette een slim gelaat, dat duidelijk te kennen gaf: „gij zult eens zien hoe dom ik wezen kan." Gij zegt niets en uw ongekunsteld gezicht is bewonderenswaardig.

— Ik weet niet wat ik doen moet.

Juist daarom is uw spel zoo goed. Morgen, binnen weinige dagen, dan zult gij wel weten, wat gij doen moet. Dan moet gij u de verlegenheid herinneren, waarin gij thans verkeert en veinzen hetgeen gij dan niet meer gevoelt. Als gij dan deze uitdrukking en houding kunt aannemen, dan voorspel ik u een prachtig succès. Wat moet gij in mijn stuk voorstellen? Een boerenknaap, die niets gezien heeft en niets weet; deze komt bij een aap en hij is veel onhandiger en onwetender dan de aap, vandaar de tweede titel: „De domste van de twee is niet dien men denkt." Dommer te zijn dan Joli-Coeur, dat is uw rol; om die nu goed te vervullen, behoeft ge slechts te wezen, zooals ge thans zijt; maar daar dit onmogelijk is, moet ge u voor den geest brengen wat gij geweest zijt en met eenige kunst worden, wat gij natuurlijk niet meer wezen zult.

De knecht van den heer Joli-Coeur was geen groot stuk en de voorstelling duurde niet langer dan twintig minuten. Maar voor onze repetitie waren drie uur noodig; Vitalis liet ons twee-, vier-, ja tienmaal hetzelfde overdoen, zoowel de honden als mij.

Deze toch hadden gedeelten van hun rol vergeten en moesten die thans opnieuw leeren.

De zachtheid en het geduld, die mijn meester hierbij aan den dag legde, verbaasde mij ten sterkste. Zoo behandelde men de dieren niet in ons dorp, waar vloeken en slaan het eenige middel was, dat men tot hun opvoeding aanwendde.

Hij maakte zich, gedurende deze lange repetitie, geen enkele maal boos; hij vloekte in het geheel niet.

— Laten wij nog maar eens beginnen, zeide hij op strengen toon, wanneer hetgeen hij gevraagd had niet gelukt was; dat is niet goed. Joli-Coeur; gij Capi, gij let niet op, ik zal u moeten beknorren.

Dat was alles; maar toch was het genoeg.

— Welnu, vroeg hij mij, toen de repetitie geëindigd was, gelooft gij, dat gij aan het komediespelen gewend zult raken?

— Ik weet het niet.

— Verveelt het u?