Het eerste gedeelte der voorstelling bestond uit verschillende toeren door de honden uitgevoerd; maar welke deze toeren waren, zou ik zelf niet weten te zeggen, daar ik te zeer vervuld was met mijn rol en in de grootste onrust verkeerde.
Alles wat ik mij herinner is, dat Vitalis niet meer op zijn fluit speelde, maar die met een viool verwisseld had, waarmede hij de oefeningen der honden begeleidde, en nu eens dansmuziek, dan weder zachte, vroolijke deuntjes speelde.
De menigte was al spoedig tot aan het koord doorgedrongen, en wanneer ik meer werktuigelijk dan wel met een bepaalde bedoeling om mij heen blikte, dan zag ik dat aller oogen op ons waren gevestigd.
Toen het eerste stuk geëindigd was, nam Capi een houten bakje in zijn bek en deed hij op zijn achterste pooten de ronde bij het geachte publiek." Wanneer er geen centen in het bakje vielen, dan zette hij dit eerst op den grond buiten het bereik der omstanders en legde vervolgens zijn beide pooten op den weerspannigen toeschouwer, blafte eenige malen en klopte zachtjes op diens zak, alsof hij dezen wilde openen. Onder het publiek ging dan een algemeen gelach op en ieder deelde in die vreugde.
— Het is een slimme poedel; hij weet wiens zak het best gevuld is.
— Kom, steek uw hand in uw zak.
— Hij zal wat geven!
— Neen hij geeft niets!
— Uit de erfenis van uw oom zult gij het terugkrijgen.
Eindelijk kwam het geld dan ook te voorschijn uit het aller onderste puntje van den zak.
Intusschen hield Vitalis, zonder een woord te spreken, aanhoudend zijn blik op het bakje gericht en speelde eenige vroolijke deuntjes op zijn viool, die hij volgens de maat op en neer bewoog.
Capi kwam weldra bij zijn meester terug, terwijl hij het bakje zegevierend in de hoogte hield.
Nu was het de beurt van Joli-Coeur en die van mij om op te treden.
Dames en heeren, zeide Vitalis, terwijl hij met de eene hand zijn strijkstok zwaaide en met de andere met zijn viool eenige beweging maakte, onze voorstelling zal besloten worden door een fraai tooneelstuk, getiteld: De knecht van den heer Joli-Coeur of de domste van de twee is niet dien men denkt. Een man, zooals ik ben, vernedert zich niet om vooruit zijn stukken en zijn tooneelisten te prijzen; ik zeg slechts: zie goed toe, open de oogen wijd en maak uw handen maar vast vrij om te applaudisseeren.