Vandaar dat wij niet lang in een zelfde stad konden blijven.
Drie dagen na onze aankomst te Ussel moesten wij ons weder op weg begeven. Waar zouden wij heengaan?
Ik was vertrouwelijk genoeg met mijn meester geworden om deze vraag te doen.
— Kent gij het land? antwoordde hij mij, terwijl hij mij aanzag.
— Neen.
— Waarom vraagt gij mij dan waar wij heengaan?
— Om het te weten.
— Wat te weten?
Ik hield, zonder te weten wat ik zeggen zou, het oog gericht op den weg, die zich voor mij uitstrekte als een begroeid dal.
— Al vertel ik u, vervolgde hij, dat wij naar Aurillac gaan, om ons vervolgens naar Bordeaux en van Bordeaux naar de Pyreneën te begeven, wat weet gij er dan nog aan?
— Maar kent gij dan het land?
— Ik ben er nooit geweest.
— En toch weet gij, waar wij heengaan?
Hij zag mij weder lang aan, alsof hij in mijn ziel trachtte te lezen.
— Gij kunt niet lezen, nietwaar? zeide hij toen.
— Neen.
— Weet gij wel wat een boek is? Ja; men brengt boeken mede in de kerk; ik heb dikwijls mooie boeken gezien met prenten er in en met een lederen omslag.
— Goed; gij begrijpt dus, dat men gebeden in een boek kan zetten?
— Ja.
— Men kan er ook andere dingen inzetten. Als gij bidt, spreekt gij woorden, die uw moeder u geleerd heeft, en die door uw oor tot uw geest zijn doorgedrongen, en vervolgens op uw tong terugkomen, als gij ze uitspreekt.
Welnu, zij, die hunne gebeden uit boeken opzeggen, ontleenen de woorden, waaruit die gebeden zijn samengesteld, niet aan hun geheugen, maar zij zoeken ze met de oogen in de boeken, waarin zij staan, en dat beteekent, dat zij lezen.
— Ik heb zien lezen, zeide ik, zegevierend als iemand, die geen dier is en die heel goed weet, waarover men spreekt.
— Hetzelfde wat met de gebeden gebeurt, heeft ook met al het overige plaats. Wanneer wij ergens uitrusten, dan zal ik u een boek laten zien, waarin de namen en de geschiedenis van het land staan, dat wij doorreizen. Zij, die dit land bewoond of bezocht hebben, teekenden alles wat zij zagen in mijn boek op; zij hebben dat zoo uitmuntend gedaan, dat ik het slechts behoef te openen om het land te kennen. Het is zoo goed alsof ik het met eigen