Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/59

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

kereltje, toen ik bij vrouw Barberin leefde en de wijze, waarop men over mij sprak, duidde dit aan; »een stadskind", had Barberin gezegd, met te korte beenen en armen" had Vitalis gezegd. Bij mijn meester en in de buitenlucht werden mijn armen en beenen krachtiger, mijn longen ontwikkelden zich, kortom, ik werd tegen weer en wind gehard en was binnen korten tijd in staat om zoowel koude als warmte, vermoeienis als ontberingen te verdragen.

En deze leertijd was mijn geluk, want zij stelde mij instaat weerstand te bieden aan de slagen, die mij meer dan eens zouden treffen, harde en verpletterende slagen in mijn jeugd.




VIII.
OVER BERG EN DAL.


Wij hebben het zuidelijk gedeelte van Frankrijk doorkruist: Auvergne. Velay. Vivarais. Quercy. Rouergue. Cevennes en Languedoc.

Onze wijze van reizen behoorde tot de eenvoudigste: wij liepen steeds recht toe recht aan; en als wij een dorp voorbijgingen, dat ons niet al te armoedig scheen, dan maakten wij de noodige toebereidselen tot een feestelijken intocht. Ik kleedde de honden aan, maakte het kapsel van Dolce in orde en doste Zerbino zoo fraai mogelijk uit, terwijl ik op Capi's oog een pleister plakte om hem zijn rol van een ouden knorrepot te laten spelen, en eindelijk dwong ik Joli-Coeur om zijn generaalsrok aan te trekken. Maar dat was nog het moeielijkste gedeelte van mijn taak, want de aap, die zeer goed wist, dat dit kostuum voorafging aan hetgeen hij te verrichten zou hebben, verdedigde zich zoolang mogelijk en bedacht de zonderlingste streken om mij het aankleeden te beletten. Ik riep dan Capi te hulp en door diens handigheid, instinct en slimheid gelukte het mij meestal hem machtig te worden.

Wanneer wij allen in groot tenue waren, haalde Vitalis zijn fluit te voorschijn en wij trokken dan in geregelde orde het dorp binnen.

Zoodra het aantal nieuwsgierigen voldoende was, dan gaven wij eene voorstelling, maar wanneer dit niet aanzienlijk genoeg was om een goede ontvangst te kunnen verwachten, vervolgden wij onzen weg.

In de steden echter vertoefden wij eenige dagen en 's morgens