verborgen onder den grond, om elders op te borrelen en rivieren of fonteinen te maken.
Middenin deze vlakte, die op het tijdstip, dat wij haar bezochten, geheel verzengd was door de droogte, ligt het aanzienlijke dorp Bastide-Murat; wij brachten daar den nacht door op de vliering van een herberg.
— Hier, zeide Vitalis, toen wij ' s avonds, vóór we ons naar bed begaven, nog een oogenblik bleven praten, hier is een man geboren die duizenden, soldaten heeft doen sneuvelen, die zijn loopbaan als staljongen begonnen is, en als vorst en koning haar heeft geëindigd: hij heette Murat; men heeft een held van hem gemaakt en zijn naam aan dit dorp gegeven, ik heb hem gekend en zelfs dikwijls gesproken.
Ondanks mijzelven kon ik eene vraag niet terughouden.
— Toen hij staljongen was?
— Neen, zeide Vitalis lachende, toen hij koning was. Het is voor de eerste maal, dat ik te Bastide kom en ik heb hem te Napels, te midden van zijn hofhouding, gekend.
— Hebt gij een koning gekend?
Ik vermoed, dat de toon waarop ik dit uitriep, zeer dwaas was, want mijn meeeter barstte in lachen uit.
Wij zaten op een bank voor den stal, met onzen rug tegen den muur geleund, waarop de warmte van den dag afstraalde. In een boschje eschdoorns, in de nabijheid, zongen de nachtegaals. Vóór ons, hoog boven de daken, steeg de maan zachtkens ten hemel. Deze avond was voor ons des te aangenamer, daar de dag brandend was geweest.
— Wilt gij gaan slapen, vroeg Vitalis mij, of wil ik u de geschiedenis van koning Murat vertellen?
— O, ja, de geschiedenis van den koning.
Hij verhaalde mij toen diens levensloop en uren lang bleven wij op die bank zitten; hij vertelde steeds voort, terwijl ik als aan zijn lippen hing en zijn gelaat door het bleeke maanlicht beschenen werd,
Was dat alles mogelijk; niet alleen mogelijk, maar waar!
Tot op dat oogenblik had ik in het minst geen begrip wat de geschiedenis eigenlijk was. Wie zou het mij ooit verteld hebben? Vrouw Barberin zeker niet; zij wist het zelve niet. Zij was te Chavanon geboren en zij hoopte daar te sterven. Haar gedachten waren nooit verder gegaan dan haar oogen. En voor haar oogen lag het heelal besloten in het landschap, waar zij de zon zag ondergaan, achter den berg Hudouze.
Mijn meester had een koning gezien; die koning had tot hem gesproken.
Wat was mijn meester dan toch in zijn jeugd geweest?