Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/74

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Mijn meester had een prachtig, voornaam voorkomen, zijn indrukwekkend grijs hoofd hield hij steeds recht opgeheven en op zijn gelaat stond de hoogste verontwaardiging te lezen.

Het was mij alsof hij den agent met zijn blik den grond inboorde, maar dat gebeurde niet; eensklaps rukte deze zijn hand los, greep mijn meester bij den kraag en wierp hem op zijde.

Vitalis viel bijna op den grond, met zooveel kracht stootte de agent hem van zich af; maar hij bleef nog juist staan en gafmet de rechterhand zijn vijand een geduchten slag.

Mijn meester was wel is waar een krachtig gebouwd man, maar hij was een grijsaard; de agent een jeugdig man, in den bloei des levens en de strijd tusschen hen kon dus niet van langen duur zijn.

Maar er was geen strijd.

— Wat wilt gij? vroeg Vitalis. Ik neem u in hechtenis; volg mij naar het bureau.

— Waarom hebt gij dit kind geslagen?

— Geen praatjes, volg mij.

— Vitalis gaf geen antwoord, maar wendde zich tot mij.

— Keer naar de herberg terug, blijf daar met de honden; ik zal u wel nader bericht zenden.

Hij kon niets meer zeggen; de agent trok hem mede.

Zoo eindigde op een zeer treurige wijze de voorstelling, welke mijn meester aardig had willen maken.

De honden wilden eerst hun baas volgen, maar toen ik hun beval bij mij te blijven, kwamen zij, gewoon om te gehoorzamen, terug. Ik zag toen, dat zij gemuilband waren, maar in plaats dat hun neus in een ijzeren toestel of een netwerk besloten was droegen zij slechts een zijden lapje, dat met een lint om hun snoet gebonden was. Capi, die wit was, had een rooden doek; Zerbino, van haar zwart, een witten; de grijze Dolce was met een blauwen lap getooid. Het waren muilbanden, die voor het tooneel waren bestemd en ongetwijfeld had Vitalis de honden zoo uitgedost, om den agent een poets te spelen.

Het publiek was terstond uiteen gegaan; eenige toeschouwers waren nog blijven zitten om het gebeurde met elkaar te bepraten.

— De oude had gelijk.

— Hij had ongelijk.

— Waarom heeft de agent het kind geslagen, dat hem niets gezegd noch gedaan had?

— Het is een leelijk geval; de oude zal er niet zonder gevangenisstraf afkomen, als de agent hem van oproerige bedoelingen beschuldigt.

Ik keerde zeer bedroefd en in de grootste onrust naar de herberg terug.