ALLEEN OP DE WERELD.
EERSTE DEEL.
I.
IN HET DORP.
Ik ben een vondeling.
Maar tot mijn achtste jaar geloofde ik, evenals alle andere kinderen, ook eene moeder te hebben, want als ik weende, was er eene vrouw die mij in hare armen nam en mij tegen haar boezem drukte totdat mijne tranen ophielden te vloeien.
Nooit werd ik in mijn bedje gelegd of eene vrouw gaf mij een kus, en als de Decemberwind de sneeuwvlokken tegen de bevroren ruiten joeg, nam zij mijne voetjes in hare beide handen om ze te verwarmen en zij zong dan een liedje, waarvan de wijs en ook eenige woorden nog niet uit mijn geheugen zijn gewischt.
Als ik onze koe hoedde op het gras langs de wegen of onder de boomen en door een stortregen overvallen werd, dan kwam ze mij tegemoet en dwong me een schuilplaats op in haar wollen rok, dien zij optilde om er mijn hoofd en schouders mede te bedekken.
Als ik twist had met een van mijn makkers, liet ze mij mijn hart lucht geven en altijd wist ze mij te troosten en met een enkel woord mij gelijk te geven.
Op grond van dit alles en om andere redenen, ook om de manier, waarop zij met mij sprak en mij aankeek, om hare liefkoozingen en om de zachtheid, waarmede ze mij beknorde, geloofde ik dat zij mijne moeder was.
Opeens echter kwam ik te weten dat zij slechts mijne min was. Zie hier hoe.
Mijn dorp, of juister gezegd het dorp waar ik werd opgevoed — want van mijn dorp kan ik niet spreken: een geboorteplaats