Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/97

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

In den laatsten tijd had zich eene treurige kwaal van hem meester gemaakt: eene verlamming in de heupen. Als geneesmiddel had men de zwavelbaden voorgeschreven, en mevrouw Milligan was met hem naar de Pyreneën gereisd. Na daar vruchteloos de baden te hebben gebruikt, had men een andere kuur aangeraden: de knaap moest het lichaam gestrekt houden en niet op zijn voeten rusten. Toen had zijne moeder de boot laten inrichten, waarop ik de reis medemaakte.

Zij kon er niet toe besluiten haar zoon in huis opgesloten te houden; dan zou hij gestorven zijn van verveling en gebrek aan lucht. Daar Arthur zelf niet loopen kon, liet zij een huis voor hem maken, dat zich kon verplaatsen.

De boot was dan ook geheel als een drijvende woning ingericht, met huiskamer, keuken, salon en veranda. In het salon of onder die veranda bracht Arthur den dag door van des morgens tot des avonds met zijne moeder aan zijne zijde, en de landschappen trokken hem voorbij hij behoefde de oogen maar te openen.

Eene maand geleden hadden zij Bordeaux verlaten en na de Garonne te zijn opgevaren, hadden zij nu het Zuider-kanaal bereikt. Dit bracht hen in de vijvers en kanalen naar de Middellandsche Zee, vanwaar zij de Rhône zouden opvaren en daarna de Saône; van deze rivier zouden zij in de Loire komen en dan te Briâre de Seine nemen om den loop dezer rivier te volgen tot Rouaan, waar zij een grooter schip zouden huren om naarEngeland terug te keeren.

Natuurlijk vernam ik al deze bijzonderheden omtrent mevrouw Milligan en haar zoon niet den dag, waarop ik aankwam. Ik vernam ze eerst geleidelijk, een voor een en voeg ze hier slechts in volgorde zamen, om mijn verhaal duidelijker te maken. Op den eersten dag maakte ik slechts kennis met het vertrek, dat ik op de Cygne — zoo heette het schip — bewonen zou. Het was wel heel klein, twee el lang en een el breed, het was het, aardigste huisje, dat de verbeelding van een kind zich kan voorstellen. De meubels bestonden uit een enkele kast, maar die geleek wel iets op de tooverflesch van een goochelaar: er kwam van alles uit. Het bovenste gedeelte was er niet vast op bevestigd, maar kon opgelicht worden en dan had men een volledig bed: matras, hoofdkussen en dek. Natuurlijk was het niet heel groot, maar toch groot genoeg voor mij om er lekker in te liggen. Onder dat bed was eene lade, waarin men alle voor werpen vond, die men voor zijn toilet noodig heeft en daaronder was een andere lade met verschillende afdeelingen voor ondergoed en bovenkleeren. Tafels of stoelen waren er niet; althans niet in den gewonen vorm, maar aan het hoofdeinde van het bed was tegen den wand een plankje, dat men kon neerslaan en dat dan eene tafel vormde en