wal ging, hij mij misschien vergeven zou. De schipper, dien ik den vorigen dag aan het roer had zien staan, was reeds op en bezig het dek schoon te maken. Hij was zoo goed om een plank uit te leggen, waarover ik met mijn troepje aan wal ging.
Al spelend met mijn honden en Joli-Coeur, springend en loopend en in de boomen klimmend, ging de tijd spoedig voorbij en toen wij terugkwamen, stonden de paarden reeds aan de lijn gespannen en vastgemaakt aan een populier op het jaagpad. Een klap met de zweep was voldoende om hen te doen voortgaan. Spoedig waren wij in het schip en eenige oogenblikken later werd het touw, waaraan de boot gemeerd lag, losgemaakt; de schipper nam zijn plaats weder in aan het roer; de jager zette zich op een der paarden; het schip kraakte even en wij vervolgden weder onzen weg.
Hoe heerlijk is dat reizen in eene boot! De paarden stapten op het jaagpad en zonder dat wij eenige beweging gevoelden, gleden wij zachtkens over het water. De twee dichtbegroeide oevers spoedden ons voorbij en men hoorde geen ander gedruis dan van het lekken van het water tegen het schip, dat zich vermengde met het rinkelen der schellen, die de paarden om den hals droegen. Wij gleden voorwaarts en op den oever zag ik de populieren, die in het malsche gras geworteld zich fier verhieven en wier nooit rustende bladeren trilden onder den zachten adem van den morgenwind. Hunne eindelooze reeks in rechte lijn langs den oever geplant, vormde een dicht groen gordijn, dat de schuinsche stralen der zon opving en slechts een door het gebladerte getemperd licht doorliet. Op sommige plaatsen was het water pikzwart, alsof het opborrelde uit onpeilbare diepten; elders daarentegen vormde het doorschijnende vakken, waaronder men de schitterende steenen en mosachtige planten zag.
Ik stond verdiept in eene aandachtige beschouwing, toen ik mijn naam achter mij hoorde uitspreken. Ik keerde mij om en zag Arthur, die op zijne plank bij mij gebracht was. Zijne moeder stond aan zijne zijde.
— Hebt ge goed geslapen? vroeg hij. Beter dan onder den blooten hemel?
Ik kwam naderbij en antwoordde, naar beleefde woorden zoekende om zoowel Arthur als zijne moeder mijn dank te betuigen.
— En de honden? zeide hij.
Ik riep ze, evenals Joli-Coeur; zij kwamen bij ons en bogen en ook de aap maakte allerlei dwaze bewegingen. Allen schenen te verwachten, dat wij eene voorstelling zouden geven.
Maar dien morgen was er geen sprake van eene voorstelling. Mevrouw Malligan had haar zoon buiten de zon geplaatst en had zich naast hem neergezet.