Zoo-als ’t Volk dan ook meestal doet.
Men is niet gedwongen te luisteren naar betaalde preekhouders, geachte sprekers of programvormige ministers. Ik ben tégen al die bedryven, maar erken dat de beklaagden iets kunnen aanvoeren dat naar verontschuldiging zweemt: de hoop dat men niet geluisterd heeft.
Maar gy, dagbladschryvers, gy, wat kunt gy opgeven als reden tot vermindering van straf? Ge naamt de taak op u het Volk te verlichten, te beschaven, inzage te geven in z’n belangen. Gy vindt alzoo geen verschooning in de hoop dat men u niet hooren zal. Uw streven is integendeel wèl gehoord te worden. Ge zoudt ophouden te bestaan, als men u niet hoorde, juist anders-om dan die andere heeren, die de gelegenheid om voorttegaan slechts behouden door de beperktheid van den kring waarin ze spreken. Zy hebben blinden noodig en hardhoorigen. Gy integendeel: lezers, dat is abonnés.
Uw roeping is ernstiger, waardiger, heiliger. En hoe voldoet ge aan die roeping, gy die met hoogepriesterlyke deftigheid, uzelf wy noemt in uw leading-articles? Geeft ge, gy die gelezen worden wilt, en inderdaad faute de mieux door ’t Volk gelezen wordt, waarheid aan dat Volk?
O, ik weet dat ge fluisterend klaagt verkocht te zyn aan deze of gene party, en dus beweert evenveel recht op liegen te hebben als een minister of predikant, maar deze verontschuldiging gaat niet op. De arme lieden, wier betrekkelyke onschuld gy aanhaalt als verschoonend voorbeeld, erkennen dat ze gebonden zyn. Ze doen die erkenning openlyk by ’t houden van de program-leerrede of de intreê-speech. Zy waarschuwen. Maar gy schryft op uw banier: Koning, Vaderland, Rechtvaardigheid, Billykheid, Goede-trouw, Onpartydigheid... alle zaken die