wèl luiden en liefelyk klinken. En al weet ik nu dat die liefelykheid klank is alleen, en al fluistert ge my in ’t oor, dat uw party de — aandeelhouders! — m’nheer zóó, die z’n abonnement zou opzeggen... uw haat tegen die andere krant die ’t tegendeel beweerde... kortom, al weet ik dit alles — het Volk, het goede, geloovige Volk, dat zoo’n eerbied heeft voor al wat gedrukt is, weet dit niet.
Ik vind in uw couranten dagelyks allerlei dingen die we niet noodig hebben, maar de zaken die ’t Nederlandsche Volk wèl betreffen, slaat gy over. Ellenlange artikelen over Vryen-arbeid en Kultuurstelsel vullen de vóórzyden uwer bladen. Eilieve, waarom, als ge u dan toch bemoeit met de zaken van Indië, waarom eischt ge geen antwoord op de vraag die ik heb voorgelegd aan de Regeering?
Stelt eens dat ge weet meêtespreken over Vry-arbeid of Stelsel van kultuur, neemt aan dat er wysheid ligt in ’t behandelen van ’t consignatie-stelsel — alweêr ’n stelsel, lieve god! — dan zult ge toch moeten erkennen, niet waar, dat er iets noodig is om al dat gestelsel overeind te houden? Dit nu is, in deze zaak, de koffi, de suiker, de indigo, de tabak, de kaneel en de bamboezen sigaarkokers die de jufvrouwen present krygen van haar neven in de Oost. Redeneert nu over de consignatie van die kokers — van bamboe of pauwveêr, om ’t even — redeneert daarover nu zoo lang dat ge eindelyk een stelsel van consignatie hebt saamgeknoeid, zoo volmaakt als ooit eenig stelsel van ’n andere rooverbende, en ziet dan eens rond wat ge zult te consigneeren hebben in ’t eind, wanneer de Javaan die de kokertjes vlocht, de koffi plantte en oogstte, de suiker sneed en maalde, of de indigo uitperste en gisten deed — als die Javaan, gedurende uw consignatie-studie, eens had opge-