De postmeester-generaal maakt, bij deze, aan de belanghebbenden bekend, dat, vóór den eersten maart aanstaande, aan hem moeten worden ingediend de memoriën, op behoorlijk zegel geschreven, ter reclamatie van nog onvoldane pretentiën, ten laste den posterijen dezer Landen, sedert 1 januarij 1810, tot en met 30 november 1813, en wel bepaaldelijk:
1o. Die, wegens gages of indemniteiten van postmeesters der paarden-posterij, over den jare 1813, hetzij de quitantiën daarvan al, dan niet, naar Parys zijn gezonden geworden, met overlegging der advijs-brieven, waarbij die gages of indemniteiten zijn toegekend geworden, en waarvan de effectieve betaling, tot dus ver, niet heeft plaats gehad;
2o. Die, wegens indemniteiten voor het gemis van eigendommelijke posterijen, door het Bataafsche Gouvernement, in der tijd, aan sommige particulieren toegestaan, edoch, sedert 1 januarij 1811, onvoldaan gebleven, met overlegging van kopij authentiek der dispositie, waarbij die indemniteiten aan hen zijn toegekend geworden, en verklaring, onder presentatie van eede, dat dezelven inderdaad tot dus verre nergens zijn betaald geworden;
3o. Die, wegens alle zoodanige andere pretentiën, welke nog zouden mogen exteren, met overlegging der declaratiën of andere stukken, over ieder jaar, afzonderlijk en in triplo, gemuniëerd met de noodige bewijzen van validiteit, of, bij gebreke van dien, verzeld van eene verklaring, onder presentatie van eede, de deugdelijkheid der pretentiën affirmerende, en tevens dat dezelve nimmer met eenige betaling zijn achtervolgd, met opgave der redenen, die daartoe aanleiding hebben gegeven;
Strekkende, eindelijk, tot informatie van belanghebbenden, dat geene andere reclamatiën kunnen worden aangenomen, dan van ingezetenen van dit Land, of de met hetzelve verbondene Staten, en voorts, dat in deze oproeping niet zijn begrepen de pensioenen van beambten der posterijen, als welke onder de generale directie der publieke schuld behooren; waaromtrent de geïnteresseerden worden gerenvoijeerd aan de advertentie van den heere directeur-generaal van de nationale schuld, van den 2den dezer, geplaatst in de Nederlandsche Staats-Courant van den 3den dezer.
’s Gravenhage, den 4den februarij 1814.
Van Pallandt van Keppel.
waterstaat.
Den 14den en 15den, scheen, op den Boven Rijn van Rees benedenwaarts, eene geringe, hoe zeer vrij algemeene, valling of stilstand van aanwas van water op sommige plaatsen waargenomen te worden. Aan het Spijk, was de valling, des morgens van den 15den, 2 duim, gedurende de laatste 24 uren. De werking van den Ouden Rijnmond was zeer sterk.
Nadere ontvangene berigten vermelden, dat het gerucht van eene doorbraak in den Rijndijk, bij Vijnen, zich niet heeft bevestigd, en dat aldaar alleen een zware overloop heeft plaats gehad.
In den Waalmond, het Pannerdensche Kanaal en meer benedenwaarts, heeft men mede eenige valling waargenomen; te Thiel alleen, was de watershoogte niet verminderd. Op den Neder-Rijn en Lek, had nog eene doorgaande, dooh minder sterke rijzing plaats, teekenende, den 15den, de rivier, te Arnhem, 17 voet 9 duim, en te Vreeswijk, 16 voet 7 duim, aan het peil.
Op den IJssel, was het water mede eenigzins rijzende; de inundatie te Westervoort was, in de laatste 24 uren, 16 duim gewassen. In den mond van den IJssel, zat het ijs nog vast.
De Maas was algemeen zeer opgezet doch de aanwas der rivier was regelmatig. Des avonds, van den 14den, zette zich de Merwede, van even beneden de kerk te Steenwijk, tot boven Woudrichem op de Waal, in beweging; de kruijing echter was zeer kortstondig, hebbende de rivier zich weder vastgezet, een geul openlatende van het Sleewijksche veer, tot beneden de kerk. In de Killen, beneden Werkendam, zat het ijs nog geheel vast.
Uit de engelsche dagbladen, bij het ter perse gaan dezes ontvangen, kunnen wij, bij tijdsgebrek, alleen overnemen, hetgeen zij uit Parijs, tot den 6den februarij, mededeelen, namelijk:
Dat men aldaar zeer druk bezig is met het pallisaderen der barrieres; dat die van de Trone en Italie, aan de oostelijke en zuidoostelijke uiteinden van Parijs gelegen, en welke dus het eerste zouden blootstaan, dien dag moesten af wezen. Dat er, binnen weinige dagen, geschut bij dezelven zou geplaats worden, en er reeds troepen, van allerlei wapening, bestemd zijn, welke er, des noods, moeten post vatten.
Dat, den 4den des morgens, de graaf Stadion, graaf Raumowski, lord Castlereagh, en de baron Humboldt, te Chatillon-sur-Seine waren aangekomen, alwaar de hertog van Vicenza reeds gearriveerd was; dat het eerste bezoek van weerszijde ’s morgens was afgelegd, en de eerste conferentie tusschen de gevolmagtigden, nog dien avond, zou plaats hebben.
Deze laatste tijding is door den Moniteur van den 6den aangekondigd.
ITALIE.
Milaan, den 30 Januarij.
De napolitaansche troepen hebben zich, in naam der hooge gealliëerde Mogendheden, van Rome meester gemaakt.
De gouverneur Miollis, de kommandant der stad en de prefekt zijn in het fort St.-Angelo geretireerd; alle de overige autoriteiten zijn op hunne posten gebleven.
Deze gelukkige gebeurtenis heeft de levendigste aandoening onder het volk te weeg gebragt. Men verwacht, dat dezelfde verandering te Livorno en Florence zal plaats grijpen; de Napolitanen zijn reeds tot Reggio geavanceerd; overal, waar zij doortrekken, eerbiedigen zij de italiaansche autoriteiten, welke door Napoleon zijn aangesteld.
De grootste eensgezindheid heerscht te Ferraro tusschen de Napolitanen en de italiaansche autoriteiten.
De plaatselijke kommandant van Ancona, door den napolitaanschen generaal, welke deze stad belegert, opgeëischt zijnde, is in het fort terug getrokken, hetwelk onmiddelijk staat belegerd te worden. Overal, waar de napolitaansche troepen zich vertoonen, trekken de fransche troepen, volgens bekomen bevel, terug, en dit is de oorzaak, dat er nog geen gevecht heeft plaats gehad.
De onder-koning heeft den generaal Triani, welke hij hier heeft doen komen, gelast, de ouder-koningin naar Genua te geleiden; alles is gereed gemaakt tot haar vertrek, op de eerste aanzegging van den onder-koning, welke, zoo als men zegt, slechts wacht, tot dat de Napolitanen de Po overgetrokken en tot Parma doorgedrongen zullen zijn. Binnen weinige dagen, zal het lot van Loinbardije beslist zijn.
Den 17den dezer, heelt Z.M. de Koning van Napels de volgende proclamatie uitgevaardigd:
»Wij hebben ons, om billijke oorzaken, gedrongen gevoeld, pogingen te doen om tot de alliantie der hooge gealliëerde Mogendheden toe te treden. Wij hebben het geluk gehad hier in te slagen; wij hebben de drie eilanden, bij Napels gelegen, en onze geheele vloot afgestaan; doch wij zullen hier voor genoegzaam schadeloos gesteld worden.
»Wij gaan het Zuiden van Italie tot aan den regter-oever van de Po in bezit nemen; nergens zullen de autoriteiten, welke zich niet tegen onze orders verzetten, als vijanden behandeld worden.”
OOSTENRIJK.
Weenen, den 3 Februarij.
H. M. de Koningin van Sicilie is, gisteren namiddag, met Z. K. H. den prins Leopold, alhier aangekomen, en aan het paleis afgestapt. H. M. de Keizerin wilde deze vorstin tot Tabor te gemoet gaan; maar de Koningin was reeds binnen de muren dezer hoofdstad, toen de ontmoeting Harer Majesteiten plaats had. De Koningin werd, bij het uitstappen uit haar rijtuig, door hunne Hoogheden de Aartshertogen ontvangen. Men denkt, dat deze vorstin slechts eenige dagen hier zal blijven en vervolgens naar Presburg vertrekken, werwaarts zich reeds het grootste gedeelte van haar gevolg begeven heeft.
PRUISSEN.
Berlyn, den 5 Februarij.
Alhier is, den 29sten januarij ll., in den ouderdom van 51 jaren, aan zenuwkoortsen overleden de beroemde J. G. Fichte, professor in de wijsbegeerte aan de universiteit aldaar.
Wij vinden ons in staat gesteld, de volgende verdeeling der duitsche legers op te geven:
| Nommer. | Zamenstelling der Legerkorpsen. | Sterkte der kontingenten. — man. | Sterkte der korpsen. — man. | Kommandanten. | Bestemming. |
| 1 | Beijeren | 36,000 | 36,000 | Generaal Wiede. | Groote armee. |
| 2 | Hanover | 20,000 | |||
| Brunswijk | 6,000 | ||||
| Oldenburg | 1,500 | 32,900 | Hertog van Brunswijk. | Noord-armee. | |
| Hanzee-steden | 3,500 | ||||
| Mecklenburg Schwerin | 1,900 | ||||
| 3 | Saxen | 20,000 | |||
| Weimar | 800 | ||||
| Gotha | 1,100 | 23,350 | Hertog van Weimar. | Noord-armee. | |
| Schwarsburg | 650 | ||||
| Aubal | 800 | ||||
| 4 | Hessen-Kassel | 12,000 | 12,000 | Keurvorst van Hessen. | Silezische armee. |
| 5 | Berg | 5,000 | |||
| Waldeck | 400 | ||||
| Lippe | 650 | ||||
| Nassau | 1,680 | ||||
| Koburg | 400 | 9,230 | Hertog van Koburg. | Silezische armee. | |
| Meiningen | 300 | ||||
| Hilberghausen | 200 | ||||
| Mecklenburg Strelitz | 600 | ||||
| 6 | Wurtzburg | 2,000 | |||
| Darmstad | 4,000 | ||||
| Frankfort en Isenburg | 2,800 | 9,250 | Prins van Hessen Philipsdal. | Groote armee. | |
| Reus | 450 | ||||
| 7 | Wurtemberg | 12,000 | |||
| Baden | 10,000 | ||||
| Hohenzollern | 290 | 22,330 | Kroonprins van Wurtemberg. | Groote armee. | |
| Lichtenstein | 40 | ||||
| 145,060 | |||||
| Komt hierbij de door de gezamenlijke Vorsten op de been gebragte Landweer | 145,060 | ||||
| Te zamen | 290,120 | ||||
| Hier bij moeten nog de Russische, Oostenrijksche, Pruissische, Zweedsche, Deensche, Napelsche en Hollandsche legers gerekend worden, alsmede de Engelsche, Spaansche en Portugeesche troepen onder den veldmaarschalk Wellington, alles te zamen, gering opgegeven, op | 709,880 | ||||
| 1 000,000 | |||||
Er bestaat alzoo een millioen geöefende en wel uitgeruste, ook gedeeltelijk uitgezochte krijgslieden, om den nimmer voldanen veroveraar in Frankrijk voor altoos paal en perk te stellen.