Naar inhoud springen

Pagina:Nederlandsche Staatscourant 1828 no 158.pdf/1

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen


No. 158.

NEDERLANDSCHE

MAANDAG,

1828.

STAATS-COURANT.

7 JULIJ.



NEDERLANDEN.

Bij onderscheiden Besluiten zijn door Zijne Majesteit de navolgende benoemingen bij het Leger gedaan, als:

Tot Generaal-Majoor bij het Leger, Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Gustaaf van Zweden;

Tot Kommandant van de Militaire Akademie, den Luitenant-Kolonel P. B. Kock, van het 2de bataillon Artillerie Nationale Militie;

Tot Kwartiermeester bij voormelde Akademie den 1sten Luitenant-Kwartiermeester G. Falck, van het 4de bataillon Artillerie Nationale Militie.

Zijnde voorts in hunne respective rangen bij opgedacht etablissement gedetacheerd, de Kapitein L. F. F. B. van Boecop, van de 16de afdeeling Infanterie, mitsgaders de Ritmeester der 1ste klasse, N. S. Rambonnet, van de afdeeling Kurassiers, no. 3.

Wijders heeft het den Koning behaagd, in derzelver respective rangen en ancienniteit te verplaatsen:

Bij het Algemeen Depot der Landmagt, no. 33, den 2den Luitenant A. W. van Dionant, bestemd voor de dienst in Oost-Indië;

Bij het wapen der Infanterie in Oost-Indië, den 2den Luitenant T. Jackson, van de 13de afdeeling Infanterie.

Voorts is, op hun daartoe gedaan verzoek, een eervol ontslag uit ’s Konings dienst verleend, aan:

De 2de Luitenants K. B. Kamps, van de 2de afdeeling Infanterie;

Den 1sten Luitenant J. L. F. A. L. Baron van Scherpenzeel Heusch, van het regiment Ligte Dragonders, no. 5, mitsgaders den Kapitein F. G. A. van Haeften, van het 4de bataillon Veld-Artillerie.

Al verder zijn door Zijne Majesteit op het non-activiteits-traktement gesteld, in afwachting, dat aan hen het pensioen zal worden verleend:

De Kapiteins H. Boon, van de 12de, en G. J. Snyder, van de 15de afdeeling Infanterie;

De 1ste Luitenants A. Kerkhoven, C. M. van der Gronden, en G. J. Barre, respectivelijk van de 12de afdeeling Infanterie, en J. de Gregoire, van de 15de afdeeling Infanterie;

De 2de Luitenants J. R. Geertzema, van de 8ste, en J. R. Martens, van de 15de afdeeling Infanterie;

Den Majoor P. Severijns, plaatselijken Artillerie-Kommandant te Meenen;

Den Kapitein L. Winsinger, van het 2de bataillon Artillerie Nationale Militie, en eindelijk

Den Magazijnmeester der 2de klasse P. A. Zubli, te Grave.



Nog zijn door Zijne Majesteit benoemd:

Tot Buitengewoon Hoogleeraar bij de geneeskundige faculteit aan de Hooge School te Leuven, de Heer J. A. le Roy, thans Lector in de geneeskunde aldaar;

Tot Gewoon Hoogleeraar bij de faculteit der wis- en natuurkundige wetenschappen te Utrecht, de Heer Th. van Lidth de Jeude, thans Buitengewoon Hoogleeraar bij die zelfde faculteit;

Tot Sekretaris der Nederlandsche Bank, in plaats van Jhr. W. Röell, reeds te voren tot Mede-Direkteur benoemd, de Heer H. Croockewit, Lid van de Kamer van Koophandel en Fabrijken te Amsterdam.

Door Zijne Excellentie den Heere Minister van Binnenlandsche Zaken is benoemd tot Leeraar der hoogere wiskunde te Gent, de Heer B. Mureska.



MUNTWEZEN.

Het Kollegie van Raden en Generaal-Meesteren der Munt,
Gezien hebbende onderscheidene valsche 25 Cents-stukken van eene, onlangs, in sommige streken der Zuidelijke provincien, inzonderheid te Brussel, Antwerpen en omliggende plaatsen, in de wandeling ontdekte, bedriegelijke soort, voerende het jaartal 1825 en het muntteeken van ’s Rijks-munt te Brussel (B), heeft na bewerkstelligd onderzoek dezer stukken, gemeend, de goede ingezetenen te moeten opmerkzaam maken op verschillende, meer of minder in het oog loopende, doch alle duidelijk waar te nemen, uiterlijke kenteekenen van valschheid, waardoor zich de gedachte stukken, welke geslagen, en iets ligter dan de echte zijn, en omstreeks een derde gedeelte van derzelver waarde aan zilver houden, van deze zijn te onderscheiden, als:

Io. Met betrekking tot de kleur:

Dezelve is, hoewel minder wit dan die der echte stukken, nogtans, vergeleken tegen zoodanige 25 Cents, welke reeds een geruimen tijd in den omloop zijn geweest, en door de behandeling den eersten glans van den muntslag verloren hebben, oppervlakkig beschouwd, daaraan vrij nabijkomende; doch eenige wrijving doet de kunstmatige verbetering van het metaal, aan de oppervlakte, weldra verdwijnen, en plaats maken voor de geelachtige, natuurlijke kleur van het, voor vier vijfde gedeelte uit geel koper bestaande, metaal-mengsel, waaruit deze valsche stukken vervaardigd zijn.

IIo. Met betrekking tot het graveersel:

A. Van de letter-zijde:

1o. De onzuiverheid der trekken van de naamletter vooral van het tweede been, ’t welk boven het eerste uitsteekt, eenigermate binnenwaarts gebogen is en vervolgens spits naar de kroon toeloopt, in plaats dat, op de echte stukken, de opgaande haal dezelfde rigting, tot aan het einde, behoudt, stomper is, en zich niet boven het eerste been der letter verheft. In de krul of den eersten haal der is een klein toevallig gebrek, de gedaante eener halve maan hebbende, [] zigtbaar;
2o. In den rand der kroon ontbreken de puntjes, die in de echte stukken te zien zijn tusschen elk der gesteenten, welke den rand der kroon versieren;
3o. De wijkende onderkant der kroon maakt, in de valsche stukken, eene regte lijn uit, terwijl die, bij de echte, ovaalvormig is;
4o. De onzuiverheid der cijfers van het jaartal, voornamelijk van de 8. — Ook in de 2 en 5 bespeurt men plaatsen, alwaar het graveer-ijzer, door eene onbedrevene behandeling, uitgeschoten is.

B. Van de wapenzijde:

1o. De rand der kroon is iets kleiner, en ook zonder puntjes tusschen de gesteenten. — De wereldbol boven de kroon onduidelijk;
2o. De haarvlokken onder den buik van den Leeuw ontbreken, en maken, onder den linker voor-poot, slechte eenige stipjes uit;
3o. Het veld van het wapenschild is zeer onzuiver. De strepen loopen, op sommige plaatsen, in elkaar. De blokken zijn ongelijk van grootte, ook niet vierkantig, en bestaan grootendeels uit in elkander loopende puntjes, veel grooter dan die, welke, in het wapenschild der echte stukken, het goud der blokken aantoonen. Het blokje onder den linker achter-poot van den Leeuw ontbreekt, althans is door de strepen genoegzaam als bedekt;
4o. De letters, cijfers en teekens zijn zeer flaauw en onder den palmtak doet zich, in den grond, eene ruwheid bemerken.

Utrecht, den 27sten Junij 1828.

Ter ordonnantie van voormeld Kollegie,
T. Treytelaar, Sekretaris.


BUITENLANDSCHE BERIGTEN.

TURKIJE.

De Pruissische Staats-Courant geeft weder een berigt uit het Russische leger, bij den wal van Trajanus, van 20 Junij.
Den 15den Junij had de Keizer met zijn Hoofdkwartier Babadag verlaten, en was over Beydaont en Tachaoul, het leger van den Generaal Rudzewicz gevolgd, hetwelk zich thans aan den ouden wal van Trajanus bevindt, (die zich van den Donau bij Rassova tot aan de Zwarte zee bij Kustendjé of Kustendzia uitstrekt,) en aldaar zoowel de afdeelingen uit de Vorstendommen moet afwachten, als diegenen, welke langs den regter Donau-oever voorttrekken, om vervolgens in vereeniging met deze verder door te dringen.
Op den geheelen togt van Babadag tot aan den wal van Trajanus had de vijand zich niet laten zien. Eerst onder