| No. 218.
NEDERLANDSCHE MAANDAG, |
1828.
STAATS-COURANT. 15 SEPTEMBER. |
BUITENLANDSCHE BERIGTEN.
TURKIJE.
Het schijnt, dat de in ons no. 215 medegedeelde berigten uit Bucharest, niet zoo geheel ten onregte eenige beduchtheid lieten blijken voor tegenspoeden, welke de niet zeer sterke Russische krijgsmagt in Wallachye, door de uitvallen der talrijke bezettingen van de Donauvestingen zoude kunnen lijden. Volgens brieven uit Bucharest althans van 22 Augustus en uit Krajova (in Klein Wallachye) van 20 Augustus, schijnt de bezetting van Widdin den 18den dier maand een aanmerkelijk voordeel op de afdeeling van Generaal Geismar behaald te hebben. Uit de verschillende berigten dienaangaande laat zich het volgende opmaken:
De bezetting van Widdin, waarvan een gedeelte zich bij het tegenover genoemde vesting in Wallachye liggende stadje Kalafat verschanst had, had tot nog toe slechts kleine strooptogten in den omtrek ondernomen; doch na dat zij eene aanzienlijke versterking (het berigt zegt 12,000 Albaniers,) ontvangen had, rukten den 18den Augustus 20,000 Turken tegen de afdeeling van Generaal Geismar, bij Goleny op. Deze, die zich tegen zulk een aantal Turken niet bestand rekende, deed zijne benden terug trekken, hetgeen met eenige overhaasting schijnt plaats gehad te hebben, daar de geheele legerplaats der Russen met een grooten voorraad van vee, levens- en krijgs-behoeften en hout, hetwelk tot het slaan eener brug over den Donau bijeengebragt was, in handen der Turken viel, die, de Russen vervolgende, tot Czoroj (Tschoroyu?) op den weg naar Krajova doordrongen, waarbij zij door het geheele gewest van Mehedinz de gruwelijkste verwoestingen aanrigtten.
Te Czoroj hadden, volgens het berigt uit Krajova, de Turken de terugtrekkende Russen bereikt, en hun eene aanmerkelijke schade toegebragt; doch volgens het berigt uit Bucharest was het den Generaal Geismar, die intusschen versterking uit Karakal en Ruszwede ontvangen had, gelukt, de Turken naar Kalafat terug te dringen. De Generaal Graaf Langeron, die onlangs met nieuwe benden uit Rusland in Wallachye binnengerukt is, en dringend aanzoek van den Generaal Geismar om meerdere versterking ontving, was terstond van Bucharest naar Krajova vertrokken.
Ook uit Giurgewo en Silistria doen de Turken, volgens dit berigt, gedurige uitvallen, die door de Russen, niettegenstaande de overmagt des vijands, steeds moedig terug geslagen worden, maar waarbij zij nogtans dikwerf groote verliezen lijden.
— Een andere brief uit Bucharest van 20 Augustus, waarin, de ongegrondheid van de verschillende geruchten betoogd wordt, die uit den schijnbaren stilstand der krijgsverrigtingen ontstaan zijn, meent, dat binnen zeer weinige weken eene beslissende gebeurtenis zal moeten plaats hebben, waaruit de ongegrondheid dier geruchten voldoende zal blijken. Volgens denzelven is men bij het Russische leger op alle moeijelijkheden voorbereid, die men verder zoude kunnen ontmoeten, en ofschoon de geringe hulpbronnen van Bulgarye, en de gesteldheid van den grond tot nog toe groote beletselen opgeleverd hebben om snel te kunnen voortrukken, was echter alles zoo berekend, dat men ondanks die beletselen, zonder twijfel het doel zoude kunnen bereiken; vooral daar de Turken met dezelfde moeijelijkheden te strijden hadden als de Russen. Het gebrek aan levensmiddelen in het Turksche leger bij Schumla is, volgens dezen brief, zoo zeer toegenomen, dat Hussein-Pacha zich reeds genoodzaakt gezien had, een gedeelte van zijn volk weg te zenden, en hij waarschijnlijk het grootste gedeelte zoude trachten te verwijderen, eer de opening van het eigenlijke beleg, die men dagelijks te gemoet zag, alle uitwegen versperde.
Eene redenering van den Times, bij gelegenheid der mededeeling van eenige berigten uit Duitsche dagbladen, nopens de krijgsmagt, die de Turken op verschillende punten verzamelen, komt nagenoeg op hetzelfde neder; en stelt ten minste als zeker, dat de Russen zoo wel Varna als Schumla zullen veroveren. »Het is niet zeer waarschijnlijk, zegt genoemd blad, dat de Sultan, met zijne half gedrilde jonge krijgslieden, eenen langdurigen tegenstand zal kunnen bieden, aan de zoo talrijke, wel geoefende en door groote geestdrift bezielde magt, welke tegen over hem staat. Het is wel waar, dat de Russische Keizer op een minderen tegenstand van de zijde der Turken gerekend had, dan hij tot hiertoe ondervonden heeft, en dat het leger, waarmede hij den veldtogt geopend heeft, thans gebleken is niet sterk genoeg te zijn, om al het noodige te verrigten; doch deze misrekening konde spoedig door het doen aanrukken van een tweede of derde leger hersteld worden: en daarenboven is het reeds dikwerf gebleken, dat, bij de tegenwoordige wijze van oorlogen, bijna alle oogmerken kunnen bereikt worden, indien men slechts geene opoffering van menschenlevens schuwt; zoodat alle deskundigen het boven elken twijfel stellen, dat Schumla en Varna beide kunnen veroverd worden, ofschoon waarschijnlijk met een ontzettend verlies. Indien men het voornemen heeft, om alleen Varna te belegeren, en Schumla slechts in te sluiten, dan zal waarschijnlijk de vlakte tusschen Adrianopel en de hoofdstad het tooneel van den beslissenden strijd worden, nopens den uitslag van welken men tot nieuwe gissingen zijne toevlugt moet nemen; want geene krijgskundige berekening, is genoegzaam, om te doen vooruitzien, welke de uitwerkselen zijn moeten der eenmaal opgewekte geestdrift eener geheele bevolking; en alle berigten uit Konstantinopel doen gelooven, dat de Muzelmannen, bij het vertrek des Sultans naar het leger, en bij het uitsteken van de Vaan des Geloofs, in geheele zwermen ter verdediging van het vaderland zullen toesnellen.”
GRIEKENLAND.
Men vindt in het dagblad van Rome eenen brief uit Korfu van den 9den Augustus, waarbij berigt wordt, dat de Regering van Griekenland besloten heeft, drie Afgevaardigden naar de Hoven van Frankrijk, Engeland en Rusland te zenden, om deze, uit naam van het Grieksche volk, dank te zeggen voor al, wat zij voor dat volk gedaan hebben, en derzelver voortdurende bescherming te verzoeken.
Volgens diezelfde berigten was de Heer Stratford-Canning den 7den, en de Heer de Ribaupierre den 9den Augustus op Korfu aangekomen. Terstond na de aankomst dezer beide voormalige Gezanten, had men een vaartuig afgezonden, om de Vlootvoogden der verbondene Mogendheden daarvan te verwittigen, en hen mede naar Korfu te roepen. Men meende echter, dat de eigenlijke zamenkomst over de belangen van Griekenland, die men reeds sedert eenigen tijd als kort aanstaande heeft aangekondigd, niet op het zoo even genoemde eiland, maar op Egina of Tenedos zoude plaats hebben.
De Korvet l’Emulation, die, zoo als men zich herinnert, op hare reis van Morea naar Toulon, een gedeelte der Fransche schepen ontmoet heeft, waarop de krijgsmagt van den Generaal Maison is ingescheept, heeft de tijding aangebragt, dat Ibrahim werkelijk toebereidselen maakte, om met zijne Egyptische krijgsmagt Morea te ontruimen, doch de door hem bezette vestingen in handen der Turken zoude laten. Deze ontruiming zoude thans een gevolg zijn der onderhandelingen van den Engelschen Vlootvoogd Codrington met den Onder-Koning van Egypte. Deze Vlootvoogd, die zich in de eerste dagen van Augustus te Alexandrie bevonden had, zoude zelfs hebben weten te bedingen, dat alle de Grieksche gevangenen of slaven, die zich, hetzij in het leger van Ibrahim, hetzij in Egypte bevinden, vrijgelaten zouden worden. Daarentegen zouden de Grieken dan ook aan alle hunne Egyptische gevangenen de vrijheid geven. — Het klinkt zonderling, dat in deze berigten de Heer Codrington nog altijd als Engelsche Vlootvoogd handelt, terwijl zijn opvolger, de Heer Pulteney Malcolm, zich toch reeds sedert den 14den Julij in de Middellandsche zee bevindt.
Met de genoemde korvet l’Emulalion is de Kolonel Fabvier uit Griekenland te Toulon aangekomen. Wat hem bewogen hebbe, op dit oogenblik naar Frankrijk terug te keeren, schijnt men nog niet te kunnen gissen.
— De bekende Griekenvriend Eynard heeft in het Journal des Débats eenen brief doen plaatsen, waarin hij beweert, dat het welbegrepen belang der Europesche Mogendheden op dit opgenblik gebiedend vordert, om het lot van Griekenland op eene vaste wijze te regelen, en dus aan dat land een onafhankelijk bestaan, behoorlijke grenzen, en eenen regeringsvorm te geven, die met den aard van deszelfs ingezetenen en het staatkundig stelsel van Europa overeenkomt. Hij stelt daarbij op den voorgrond, dat de Grieksche opstand, in spijt van alle pogingen, om dien te dempen, volkomen gelukt is. De tegenstanders dier omwenteling moeten dus hunne vroegere wenschen opgeven, en de zaken nemen, zoo als die thans zijn. De Mogendheden hebben, met oogmerk, om de gevestigde orde van zaken te handhaven en de openbare rust te bewaren, het Verdrag van 6 Julij aangegaan. Dit Verdrag, gaat de Heer Eynard voort, was onuitvoerbaar. Het zoude, zoo de Porte geslepen genoeg was geweest, om het aan te nemen, de Mogendheden in onoverkomelijke moeijelijkheden gewikkeld hebben, waaruit zij nu, door de bestendige weigering, en de dwaze halstarrigheid van den Sultan, zijn gered geworden. In weerwil van alle de pogingen der staatkunde,
