Naar inhoud springen

Pagina:Nederlandsche Staatscourant 1828 no 218.pdf/2

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

is de oorlog tusschen Rusland en Turkije uitgebarsten, en de Mogendheden kunnen zich dus als ontheven beschouwen van de belemmeringen, die zij zich opgelegd hadden bij een Verdrag, hetwelk eigenlijk niets beteekende.

Wat eischt daarentegen thans zoo wel het belang van Europa, als dat van een volk, hetgeen men heeft willen redden en uit zijnen staat van vernedering opbeuren? Dat Griekenland tot een onafhankelijken Staat verheven worde, die, zonder al te groot te zijn, eene zekere zelfstandigheid bezit, en zich verdedigen kan, zoo hij aangevallen wordt. »Ik weet,” zegt de Heer Eynard, »dat men zich tegenwoordig in de Kabinetten bezig houdt, met de grenzen van Griekenland af te bakenen, en dat men onder anderen aarzelt, om Negropont aan de Grieken toe te deelen, vermits dat eiland zich nog altijd in de magt der Turken bevindt. Ik zoude deze zwarigheid laten gelden, indien de Porte tot het Verdrag van 6 Julij toegetreden ware, doch heeft zij niet baarblijkelijk de gedane eischen afgeslagen, niet omdat deze te groot waren, maar omdat dezelve op een beginsel rusteden, hetwelk zij niet wilde erkennen? Zoodra Turkije eenmaal toegeven moet, zal het even gemakkelijk aan Griekenland eene behoorlijke uitgebreidheid als slecht geregelde grenzen toestaan. Ook verlangen immers de Mogendheden, dat dat land eene bestendige rust geniete, en dit doel is niet te bereiken, zoo deszelfs bewoners in gestadige aanraking met de Turken blijven, hetgeen ongetwijfeld het geval zoude zijn, zoo de laatsten Negropont bleven behouden.”

De Heer Eynard beweert voorts, dat Frankrijk en Engeland het thans nog in hunne magt hebben, om de zaken van Griekenland zoodanig te regelen, als zij zulks goedvinden, en daartoe onverwijld de handen aan het werk behooren te slaan. Indien Oostenrijk zijne ware belangen verstaat, dan moet het zich daartoe met deze Mogendheden vereenigen. Dat Rijk heeft de eerzucht van Rusland gevreesd, is uit afkeer van alle omwentelingen voor die van Griekenland verschrikt geworden, en heeft zijn best gedaan, om het eenmaal gevestigde evenwigt te bewaren. Maar eene hoogere hand heeft de gebeurtenissen tegen deszelfs wenschen doen uitloopen, en daarom moet het zich thans naar den loop daarvan schikken, om grootere nadeelen voor te komen.

»Maar men behoort ook niet langer te dralen, om de onafhankelijkheid van Griekenland op billijke en edelmoedige grondslagen te vestigen. Datgene, wat op dit oogenblik nog gemakkelijk is, en de volle goedkeuring van Keizer Nikolaas zal verwerven, zoude in het vervolg moeijelijk, ja onmogelijk kunnen worden. Indien de oorlog wordt voortgezet, indien Rusland niet dan na onmetelijke opofferingen het Turksche Rijk omver werpt, zoude dan de jeugdige Keizer, in weerwil van zijne grootmoedige geaardheid, geene pligten omtrent zijn volk te vervullen kunnen hebben, die hem beletteden die zelfde belangloosheid ten toon te spreiden , welke hij thans aan den dag legt? Zoo Europeesch Turkije, na het verspillen van stroomen bloeds en groote schatten, veroverd wordt, zoude dat Rijk dan niet als eene wettige bezitting van den veroveraar kunnen worden aangemerkt? En zal het dan nog even gemakkelijk zijn, aan Griekenland de behoorlijke uitgebreidheid te geven? .....”

PORTUGAL.

Men herinnert zich, dat Lord Strangford van wege de Engelsche Regering met eene zending naar Brazilie belast is geworden, en dat aangaande het doel dier zending zeer uit een loopende gissingen gemaakt zijn. In eenen brief uit Lissabon van 2 September, door het Journal des Débats medegedeeld, wordt beweerd, dat Engeland bij Don Pedro pogingen doen wil, om te bewerken, dat hij Don Miguel als Koning van Portugal erkenne, onder de hoofdvoorwaarde dat het huwelijk tusschen dien Vorst en de dochter van Don Pedro plaats hebbe. Intusschen zoude de tegenwoordige Portugesche Regering omtrent den uitslag dier onderhandelingen niet zeer gerust, en op het nemen van maatregelen bedacht zijn, om zich te kunnen verdedigen, in geval Don Pedro iets vijandelijks tegen Portugal mogt ondernemen. Te dien einde was er eene Kommissie van Ingenieurs benoemd, om de vestingwerken op verschillende punten der kust te ontlerzoeken, diegene aan te wijzen, welke versterking behoeven, en voor al die plaatsen op te geven waar verdedigings-werken tegen eene mogelijke landing behoorden gemaakt te worden.

Van een anderen kant werden ook op verschillende wegen van Lissabon naar binnenslands werken aangelegd, hetwelk tot allerhande geruchten aanleiding gaf.

In dit niet zeer veel beteekenende berigt wordt voorts uit Oporto gemeld, dat de bevelhebber dier stad, ten einde berging voor de ontelbare gevangenen te vinden, voor welke in de gevangenissen geene plaats meer is, de Monniken van twee kloosters der zelfde orde gelast heeft, zich in één dier beide kloosters te vereenigen, om het andere voortaan als gevangenis te kunhen gebruiken.

De Fransche oorlogs-korvet le Tarn zoude den 2den September uit den Taag vertrekken, om eenige Brazilianen en geborene Portugezen, die zich aan de naspeuringen der Politie hadden weten te onttrekken, naar Rio-Janeiro te brengen.

Ook de Portugesche uitgewekenen, die zich te Plymouth bevinden, en welker getal reeds over de duizend beloopt, zouden, volgens den Times, hunne begeerte te kennen gegeven hebben, om naar Brazilie gebragt te worden. De Times verwondert, zich zeer, dat deze Portugezen, grootendeels krijgslieden, naar Brazilie willen trekken, waar zij hunnen meester van geen nut hoegenaamd zijn, in plaats van zich naar Madeira te begeven, en den manhaftigen Bevelhebber van dat eiland, in de verdediging dier laatste bezitting van hunnen Koning, tegen de aanslagen van eenen overweldiger, de behulpzame hand te bieden.

De sluiting van Funchal zoude, volgens genoemd blad, hiervoor geen beletsel opleveren, daar er plaatsen genoeg aan de kust van Madeira zijn, waar men krijgsvolk aan land zoude kunnen zetten.

Doch zoude men het niet voor dwaas kunnen houden, dat deze lieden zich naar een eiland begaven, welks bezit Engeland, welligt door eene bloote verklaring, aan Den Pedro, had kunnen verzekeren, terwijl het, in tegendeel, de sluiting van Funchal erkent, en dus de verdediging van Madeira op den duur onmogelijk schijnt te maken?

FRANKRIJK.

De Koning is den 7den September van Saverne te Strasburg aangekomen. De Koning van Wurtemberg en de Groot-Hertog van Baden hebben aldaar een bezoek bij denzelven afgelegd, terwijl de Vorst van Loewenstein aan Z. M., uit naam van zijnen meester, den Koning van Beijeren, eenen brief overhandigd heeft.

— Niettegenstaande men vooraf heeft aangekondigd, dat de Koning, gedurende zijne reis, op iets beters, dan van buiten geleerde aanspraken, zoude worden onthaald, zijn echter de Fransche dagbladen daarmede en met de daarop gegevene antwoorden opgevuld. Onder deze aanspraken onderscheidt zich door loffelijke kortheid, die, waarmede de Aarts-Bisschop van Strasburg aan het hoofd zijner geestelijkheid, den Koning verwelkomd heeft. »Ik heb,” zeide hij, »de eer Uwer Majesteit de geestelijkheid van den Benedenrijn voor te stellen, wier eenig streven is, om zielen voor God en harten voor den Koning te winnen.”



Het Journal de Commerce maakt melding van het niet zeer waarschijnlijke gerucht, dat de Sultan eenige nieuwe Turksche krijgsbenden naar Griekenland gezonden had, en vraagt dan, of het niet mogelijk zoude zijn, dat de Porte de Fransche onderneming naar Morea als eene vijandelijke daad aanmerkte, en of in dat geval de Fransche handel in de Middellandsche zee geen gevaar zoude loopen, van door de Barbarijsche roofschepen aanmerkelijk benadeeld te worden. Dat dagblad schijnt uit het oog te verliezen, dat de Barbarijsche roofstaten sedert langen tijd gewoon zijn, bij uitsluiting hunne eigene belangen, meer dan die van den Grooten Heer te behartigen. Het had slechts om de tegenwoordige betrekkingen tusschen Frankrijk en Algiers behoeven te denken, om zich daarvan te overtuigen.

De bedenking, die het Journal de Commerce vervolgens maakt, dat de Porte, in een oogenblik van drift, wel de hand zoude kunnen slaan aan de Fransche eigendommen en personen in de havens van het Oosten, schijnt eenigen meerderen grond te hebben. Intusschen wanneer men zich herinnert, dat eene dergelijke onderneming, als die der Franschen naar Morea, door de Porte vroeger of later, als een noodzakelijk gevolg van het Verdrag van 6 Julij, verwacht moest worden, dan begint ook deze zwarigheid hare kracht te verliezen. De Porte bevindt zich daarenboven op dit oogenblik in eenen toestand, die haar het maken van nieuwe vijanden als geheel ongeraden moet doen voorkomen, en men heeft na den zeeslag vah Navarino gezien, dat zij kracht, van geest genoeg bezit, om hare gevoeligheid aan hare wel begrepene belangen op te offeren.



De Hertog van Clarence heeft, volgens de Engelsche berigten, een hevigen aanval van kramppijnen gehad, die aanvankelijk voor ernstige gevolgen deed vreezen. Deszelfs toestand scheen intusschen den 9den September aanmerkelijk verbeterd te zijn.



BINNENLANDSCHE BERIGTEN.

Men heeft hier de Javasche Couranten ontvangen tot 15 Mei. De oorlogsberigten zijn van geen groot aanbelang, doch allen ten nadeele der muitelingen.

De Kommissaris-Generaal had, onder nadere goedkeuring van Zijne Majesteit, bij de expeditionnaire troepen de navolgende bevorderingen gedaan:

A. Expeditionnaire afdeeling Infanterie, by den Staf:

Tot 1sten Luitenant-Adjudant, de 2de Luitenant J. de Ridder;

Tot 1sten Luitenant-Kwartiermeester, de 2de Luitenant-Kwartiermeester W. van der Plas.

Bij een der bataillons, ter keuze van den Kommandant der afdeeling:

Tot Kapitein, de 1ste Luitenant J. A. Vogel;

Tot 1ste Luitenants, de 2de Luitenants Wemans, J. van Friedagh, .... van Hake, L. J. Puraye en .... Neteson.

B. Detachement expeditionnaire Artillerie:

Tot 1sten Luitenant, de 2de Luitenant P. van der Upwich.

Benoemd en aangesteld zijn:

A. Expeditionnaire afdeeling Infanterie:

Tot 2de Luitenants, de Kadetten-Serjant K. G. Durlen en