BIJVOEGSEL
TOT DE
NEDERLANDSCHE STAATS-COURANT.
Maandag, 2 Maart 1829, No. 52.
telijken en den toestand der godsdienst te verbeteren; maar deze inrigting ondermijnde de grondvesten der Katholijke godsdienst, en zoude dezelve binnen weinige jaren geheel vernietigd hebben.
De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft gezegd, dat eenige lieden zich hebben laten wegslepen door de tooverkracht van het woord vrijheid, en dat anderen de vrijheid van het openbaar onderwijs slechts begeeren, om daarvan als van een werktuig gebruik te maken, dat zij naar goedvinden kunnen bestieren ... Wij zijn door geene tooverkracht misleid geworden. De vrijheid is geen gewrocht der verbeelding. Zonder vrijheid zoude onze Staat, die uit zulke vreemdsoortige bestanddeelen zamengesteld is, niet kunnen blijven bestaan .... De vrijheid der drukpers is de waarborg der vrijheid in het algemeen; zij moge haren gevaarlijken kant hebben, zij is niettemin bij een grondwettelijk regerings-stelsel onvermijdelijk noodzakelijk. Er moeten wetten zijn, om de buitensporigheden der drukpers te kunnen fnuiken, maar de wetten van 1815 kunnen niet tot bereiking van dit doel leiden, en vernietigen integendeel de geheele vrijheid der drukpers. Ik kan niet gelooven, dat de Kamer zoude weigeren de klagten, die te dezen opzigte aan haar zijn gerigt geworden, aan het bestuur te doen kennen.
Sommige der verzoekschriften betreffen de verantwoordelijkheid der Ministers. Ik voor mij beschouw dezelve als tot het wezen van een grondwettelijk regerings-stelsel behoorende.
Het verslag des Ministers van Binnenlandsche Zaken is een belangrijk stuk; daarbij wordt aan de Natie geweten, hetgeen een louter gevolg is van de rampzalige maatregelen, die men ten gevolge van het Besluit van 1825 genomen heeft. Het zijn niet de te leur gestelde verwachtingen van sommigen, noch ook bijzondere belangen, die tot zoo vele klagten aanleiding gegeven hebben. De oorzaak hier van is alleen gelegen in de inbreuken, die op het ouderlijk gezag gemaakt zijn. Ik zoude mij onwaardig rekenen, om in deze Kamer eene plaats te vervullen, indien ik de gronden niet aanrandde, waarop Z. Exc. zich beroepen heeft, om maatregelen te verdedigen, die tegen de Grondwet strijden.
Ik ben van oordeel, dat de Kamer zich regtstreeks tot den Koning moet wenden, en zij kan daartoe nooit een gunstiger oogenblik vinden, dan het tegenwoordige, waarop Zijne Majesteit reeds bewijzen gegeven heeft, dat dezelve niet doof is voor de klagten zijner onderdanen; getuige de benoeming eener Kommissie voor het middelbaar onderwijs, getuige ook de last, die aan de Kommissie tot zamenstelling der Wetboeken gegeven is, om een ander ontwerp van Straf-wetboek op te stellen, in de plaats van dat, hetweik zoo veel gerucht gemaakt heeft.
Het vervolg van het verslag dezer beraadslagingen zal in ons volgend nommer gegeven worden. Dezelve hebben de vergadering nog op Vrijdag en Zaturdag, 27 en 28 Februarij, bezig gehouden en waren, bij het afzenden van het berigt, op Zaturdag , nog niet afgeloopen.
BUITENLANDSCHE BERIGTEN.
TURKIJE.
Berigten uit Bucharest van 2 Februarij, in den Beobachter medegedeeld, melden, dat de vesting Turno, welker voorsteden op den 24sten Januarij gelijktijdig niet Kali zijn ingenomen geworden (zie ons no. 43), bij voortduring hevig beschoten wierd, en dat de Russen zich met de spoedige overgave daarvan vleiden, vermits de Turken in dezelve geenen bijstand uit Nikopolis konden erlangen.
Inmiddels zouden ook de Turken, indien men althans aan berigten uit Konstantinopel van 26 Januarij, door een ander Duitsch dagblad medegedeeld, geloof mag hechten, aan den Balkan eenig voordeel op de Russen behaald, en hen uit Kuslidscha (Koslodschi?) verdreven hebben. Den 13den Januarij zoude namelijk eene Turksche afdeeling, onder zekeren Ibrahim-Pacha, genoemde plaats aangetast, de Russen uit de voor dezelve opgeworpene verschansingen verjaagd, en de bezetting genoodzaakt hebben, om zich in de Moskee te bergen. De Russen zouden zich hier dapper verdedigd hebben, tot dat eindelijk het gebouw door de Turken in brand was geschoten geworden, zoodat de Russen, die het zwaard des vijands ontkomen waren, hunnen dood in de vlammen gevonden hadden. Ook werd, volgens deze berigten, te Konstantinopen van eenen aanval gesproken, dien de Turken op Parawadi zouden gedaan hebben, doch dienaangaande ontbrak het nog een stellige berigten.
Zoowel dit laatste gerucht, als het medegedeelde wegens Koslodschi, strijdt intusschen met de berigten van den Russischen kant (zie onder anderen ons no. 46), welke aangaande de gebeurtenissen op het oorlogs-tooneel tot over de helft van Januarij loopen, en volgens welke de Turken nog niets ondernomen hadden, en zich niet schenen te durven vertoonen.
Van vijandelijkheden in Aziatisch Turkije had men sedert lang te Konstantinopel niets vernomen; doch beweerde men, dat er aanmerkelijke versterkingen naar het leger gezonden wierden, hetwelk door den Bevelhebber van Erzerum, Salih-Pacha, moest bijeen gebragt worden.
— Het opperbewind over Moldavie, hetwelk tot hiertoe door den Graaf Pahlen is bekleed geworden, is, volgens beright uit Jassy van 8 Februarij, door den Keizer aan den Generaal Zoltuschin opgedragen, die dezelfde bediening in het gewest van Kiew heeft waargenomen.
ENGELAND.
Nu de Hoogeschool van Oxford volmagt heeft erlangd, om eenen nieuwen Afgevaardigde in het Parlement te kiezen, worden er door eenige leden dier school alle pogingen aangewend, om te beletten, dat de keuze toch niet weder op den Heer Peel moge vallen. Zij hebben onder anderen, bij eenen rondgaanden brief, den Heer Robert Inglis als een zeer geschikt vertegenwoordiger aangeprezen, niettegenstaande het algemeen bekend is, dat hij geenszins door zijne bekwaamheid of welsprekendheid, maar alleen door zijne gehechtheid aan de zaak der heerschende kerk, deze onderscheiding zoude kunnen waardig zijn. De Heer James, een der oudste leden van het zoogenaamde Christ-College te Oxford, heeft dien ten gevolge eenen brief in de nieuwspapieren doen plaatsen, waarin hij te kennen geeft, dat hij zijne stem niet aan den Heer Inglis maar aan den Heer Peel zal geven, vermits deze bestendig en ook nu onlangs getoond heeft, een waar en verlicht vriend en voorstander der Protestantsche kerk te zijn.
De Times verheugt zich bijzonder over dit besluit van iemand, wiens oordeel geacht wordt, vrij wat invloed op de overige leden der Oxfordsche Hoogeschool te kunnen uitoefenen. »De Heer Peel,” zegt dit dagblad bij die gelegenheid, »heeft zich voor eene der belangrijkste zaken mannelijk in de bres gesteld, en eene onverdiende verguizing geleden. Om niet verkeerd verstaan te worden, moeten wij er bijvoegen, dat wij thans niet op de zaak van godsdienstige en burgerlijke vrijheid doelen, want de Heer Peel heeft zich bij het nemen van zijn besluit, om tot de gelijkstelling der Katholijken mede te werken, geenszins door zulke afgetrokkene denkbeelden laten geleiden. Hij heeft, zoo als dit een eerlijk man en een goed Minister betaamt, zijn eigen bespiegelend gevoelen laten varen en opgeofferd, omdat de gebiedende wet der noodzakelijkheid, het heil van den Staat, zulks vereischte.”
Zulk eene lofrede moet in het oor van sommigen zeer vreemd klinken en men zoude althans niet verwacht hebben, dat de Times de grootste verdienste van eenen Staatsman daarin stellen zoude, dat hij zijne eigene overtuiging van hetgeen goed en regtvaardig is, aan de zoogenaamde wet der noodzakelijkheid opoffere, en zich late dwingen, om iets te doen, wat met zijne beginselen strijdt? Of verstaat men door afgetrokkene denkbeelden en bespiegelingen niets dan droomen en onuitvoerlijke ontwerpen — hoe kan men die dan veronderstellen bij iemand, wien men als een allerbekwaamst lid van het Bestuur doet voorkomen!
ADVERTENTIEN.
DEPARTEMENT van BINNENLANDSCHE ZAKEN.
⁂ Bij het Departement van Binnenlandsche Zaken zijn, in de afgeloopen week, behalve de gewone dagbladen, ingekomen de navolgende werken:
boekwerken.
Bevel-brief van de zeer eerweêrde Heeren Vicarissen-Generaal van het openstaende bisdom van Gend, wegens den vasten, 1829 (Hollandsch en Fransch); te Gend, bij J. Poelman.
Grammaire allemande par E. Tandel, Lecteur pour Ila langue allemande à l’université de Louvain. Première partie, Lexigraphie. (Formenlehre); Louvain, chez van Linthout et van den Zande, 1829.
Het eerste Boek der Koningen, op nieuw in het Nederduitsch vertaald met verbeterde Rassi, vertaald door S. J. Mulder, met kerkelijke goedkeuring; te Amsterdam, bij van Embden en comp., 5589—1829.
Keur van Nederlandsche Letteren, tweede jaargang (32ste stukje); te Amsterdam, bij M. Westerman, 1829.
Aanmerkingen op het ontwerp van het Wetboek van Strafvordering voor het Koningrijk der Nederlanden. (Eerste stukje; Amsterdam, bij de Erven H. Gartman, 1829.
Brieven van S. aan den Heer Z.; over het menigvuldig gebruik van Fransche woorden in de Nederduitsche taal, bijzonder in zwang in de aanzienlijke kringen van Amsterdam en den Haag, gevolgd van een schrijven aan de edele jonge dochters van gemelde Hollandsche steden; te Amsterdam, bij J. C. van Kesteren, 1829.
tijdschriften.
De Christelijke Mentor; Tijdschrift ter bevordering van wetenschap, deugd en godsdienstigheid, no. 2 (Februarij 1829); te ’s Hertogenbosch, bij J. J. Arkesteyn, 1829.
Algemeene Konst- en Letter-bode, voor het jaar 1829, no. 9; te Haarlem, bij de Wed. A. Loosjes Pz.
Bulletin der algemeene Letterkunde, 1829, no. 1; te Amsterdam, bij de Gebroeders Diederichs.
Boekzaal der Geleerde Wereld, en Tijdschrift voor de Protestantsche Kerken, in het Koningrijk der Nederlanden, voor Februarij 1829; te Amsterdam, bij de Erven D. Onder de Linden en zoon, 1829. He prijs is 30 cents.
Tijdschrift voor Wijsbegeerte, no. 5; te ’s Gravenhage, bij A. J. van Weelden, 1829.
Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden (Februarij 1829); te Leijden, bij D. du Mortier en zoon, 1829.