NIEUWE HAARL. COURANT
BUITENLAND
VERSPREIDE BERICHTEN
IETS OVER CONVOOIEN.
Daar verscherpte duikbootoorlog en de tegenmaatregelen van de Entente op het oopenblik in het brandpunt der publieke belangstelling staan, verdient een artikel van de „Rhein. West. Ztg.” van 3 Juni over het thans zoo veelvuldig-voorkomende „in convooi varen” zeker de aandacht.
Het blad zegt, dat iemand, die niet op de hoogte is van het zeewezen, een vekeerd bedrip van convooien heeft: men denkt zich een convooi als een groot aantal handelsschepen, dicht bij elkander en zoo snel mogelijk door de gevaarlijke zône varende, aan alle kanten bewaakt door kruisers, toipedobooten en vlugge torpedojagers. De duikboot, die het zou durven bestaan, zulk een convooi aan te vallen, zou, nog voor hij eenige schade had kunnen aanrichten, reeds het slachtoffer zijn geworden van zijn overmoed. Zoo stellen de Engelsche bladen het tenminste voor. Laatst nog meldde een Liverpoolsch blad, dat er een convooi van 70 schepen, zwaar beladen met tarwe, in Engeland was aangekomen, natuurlijk uit Amerika (!)
Ieder zeeman weet, hoe moeilijk het is, in convooi te varen, zelfs voor schepen van hetzelfde type. Officieren, manschappen, machinisten stokers moeten maandenlang in deze zeer bijzondere zeevaartkunde worden geoefend. Het is natuurlijk van het grootste belang, zoo snel mogelijk te varen, en als er dus maar één schip van afwijkende type bij het convooi is, moeten alle andere schepen hun vaart naar die van dat eene schip, regelen.
Het is natuurlijk zaak, dat de schepen zoo dicht mogelijk bij elkander varen. In moderne eskaders, die hierin jarenlang in vredestijd zijn geoefend, kunnen de schepen op een afstand van 400 à 500 meter van elkander varen; bij handelsschepen moet deze afstand tenminste 1000 meter zijn, en zelfs dit is nog uiterst gevaarlijk, vooral bij nacht. Men denke bijvoorbeeld maar eens aan koersveranderingen, die zoo gemakkelijk in een zoo lang convooi ontstaan en dan de verschrikkelijkste gevolgen kunnen hebben.
Wanneer de mededeeling omtrent de 70 schepen juist was, dan zou dit Amerikaansche convooi een lengte van 70 K.M. en, met ten hoogste 10 mijlen snelheid varende, ruim 3½ uur noodig hebben gehad om een zeker punt te passeeren. Er zou maar heel weinig kans hebben bestaan, om ongemerkt door het onveilige gebied te komen, daar de onderzeeërs immers mijlen in den omtrek door den rook op dit convooi opmerkzaam zouden zijn gemaakt en hun slag hadden kunnen slaan, want om zooveel schepen te beschermen zou een zoo enorme vloot van kruisers en torpedojagers noodig zijn geweest, als zelfs Engeland niet had kunnen vormen.
Hieruit blijkt, zegt de „Rhein. West. Ztg.”, hoe absurd het is, wanneer de pers zulke voor de hand liggende ongerijmdheden vertelt. Het is een feit, dat convooien niet voldoen aan de groote verwachtingen die men er van heeft gekoesterd. Ten bewijze hiervan zij medegedeeld dat een zekere Oberleutnant Klatt in één nacht ten zuiden van de straat Messina twee krachtig beschermde convooien aanviel en 60 % der schepeen tot zinken wist te brengen.
KUNST EN KENNIS
KUNST EN LETTEREN.
Onder den titel van „De Stijl” zal in den loop dezer maand het eerste nummer verschijnen van een aan den modernen kunst gewijd tijdschrift. Redacteur is Theo van Doesburgh. Tot de medewerkers behooren o.a. dr. Berlage, J. Toorop, B. van der Leck en P. Mondriaan.
Het eerste nummer zal een artikel bevatten van de beide laatstgenoemden. Van der Leck schrijft over de verhouding van de nieuwe schilderkunst tot de architectuur. Een reproductie wordt gegeven van een zijner laatste werken. De uitgever is Harms Tiesen te Amsterdam.
DE OPGRAVINGEN BIJ NIJMEGEN.
Bij de prov. Staten van Gelderland is ingekomen een verzoek van de Commissie van Beheer van het Opgravingsfonds der Nederlandsche anthropologische Vereeniging te Leiden—Rolduc, houdende verzoek om een provinciaal subsidie ten behoeve van een onderzoek naar de overblijfselen eener oude nederzetting, gelegen nabij de z.g.n. Kopschen hof onder Nijmegen.
Het wil Gedeputeerde Staten voorkomen, dat het hier inderdaad gaat om een hoogst belangrijk stuk der geschiedenis van Gelderland en dat het onderzoek, hetwelk adressante voornemens is in te stellen, de belangstelling van het Provinciaal bestuur ten volle verdient. De Raad van Nijmegen gaf gedurende 5 jaar een jaarlijksche subsidie van f 300, terwijl het Rijk en particulieren eveneens aan adressante geldelijke bijdragen hebben verleend.
ORDE EN ARBEID
DRANKBESTRIJDING.
VOOR DEN VREDE.
„De afdeeling Nieuwkoop-Noorden, gelet op de ernstige tijdsomstandigheden, van meening, dat in buitengewone omstandigheden, buitengewone maatregelen wenschelijk, soms zelfs noodzakelijk zijn, noodigt het H.B. uit, aan alle afdeelingen de bevoegdheid toe te kennen, om buiten de statuten om, en met volstrekte handhaving daarvan, een buitengewoon tijdelijk lidmaatschap toe te staan n.l. tot aan den dag, waarop de vrede geteekend wordt — de Te Deum voor den vrede in de kerken gezongen wordt, de demobilisatie wordt afgekondigd — aan hen, die zich ernstig willen verbinden uit boetvaardige naastenliefde ter eere van het H. Hart gedurende dien tijd te onthouden van gedistilleerd of van alle alcoholische dranken, met het doel, om daardoor een spoedigen vrede van God te verkrijgen.”
Bovenstaande motie werd op de begin dezer maand te Delft gehouden algemeene vergadering van het Diocesaan Kruisverbond met algemeene stemmen aangenomen.
Practisch brengt het in de motie uitgedrukte geen verandering in den bestaanden toestand. Ook nu worden de beloften van geheelonthouding of afschaffing slechts voor een bepaalden tijd gedaan: en ter vergadering werd uitdrukkelijk vastgelegd, dat de bedoeling van de woorden „met volstrekte handhaving daarvan” (van de statuten) o.m. deze is, dat ook voor de buitengewone, tijdelijke leden contributie aan het Diocesaan Kruisverbond zal moeten worden betaald (hoe de afdeelingen op dit stuk ten aanzien van deze categorie van leden willen handelen moeten zij zelf weten.). Maar het mooie, het aanbevelenswaardige van de motie is gelegen in ’t vooropstellen van de onthouding uit boetvaardige naastenliefde ter eere van het H. Hart met het doel een spoedigen vrede van God te verkrijgen.
Het lijdt dan ook geen twijfel, of velen zullen bereid worden gevonden, tot dat schoone doel, het aangewezen, echt Roomsche middel aan te grijpen. Propaganda in die richting moet den afdeelingsbesturen een lichte, dankbare taak zijn.
De aanwinst van velen, die op de aangegeven wijze van God den vrede willen afsmeeken, moet mede vrucht van de „blauwe maand”-actie zijn.
LANDBOUW EN VISSCHERIJ
VOOR DE IMKERS.
Dank zij het gestadig mooi zomersch weer der beide laatste maanden, hebben de bijenhouders in den Gelderschen Achterhoek, naar vandaar aan de „Gld”, wordt geschreven, thans alle reden tot tevredenheid na zoo verscheidene jaren van teleurstelling. De vooruitzichten waren trouwens niet bijzonder rooskleurig. Een slecht honinggewin ten vorigen jare, late aankomst der accijnsvrije suiker, gevolg waarvan tal van bijenvolken ten doode waren opgeschreven, een langdurige strenge winter, zonder ’n enkelen vroolijken voorjaarsdag, achterlijke bloei der bloemen en vruchtboomen en vertraging der komst van nieuwe zwermen, zoodat van de gelijktijdig ontloken bloesems, onvoldoende geprofiteerd kon worden, doch trots dit alles zijn de meeste bijenkorven goed gevuld en zijn ous ijmkers bekend, die reeds 30 pond raathonig uit de korven genomen hebben, terwijl de bijen allerwegen nog volop kunnen halen. Zon en windrichting hebben het honiggewin zeer bevorderd. De rijkbloeiende lindeboomen verschaffen thans veel honig en straks als de heide bloeit, is er vroor de nijvere bijen een vruchtdragend arbeidsveld.
INGEZONDEN
Voor den inhoud dezer rubriek stelt de Redactie zich niet aansprakelijk.
SPELLINGBEZWAREN.
M. de Redacteur,
Mag ik beleefd ’n plaatsje verzoeken in Uw geëerd blad? Bij voorbaat m’n dank.
Naar aanleiding van ’n artikel „Spellingbezwaren” in ’t „Tweede Blad” van de „N. Haarl. Courant” dato 16 Juni, zou ik gaarne enige opmerkingen maken, ’t Is hier de plaats niet ’t daarin bedoelde adres van prof. Boer (’t stuk is meen ik van prof. )J. te Winkel o.s.) nader te beschouwen. Slechts wat de geachte Schr. in de „N. Haarl. Courant”[1] zegt zou ’k voor ’t ogenblik gaarne aan enige kritiek onderwerpen. De geachte Schr. dan van „Spellingbezwaren” zegt o.m.:
„Zoo de geestige schrijver (Jacob van Lennep) thans nog tot het land der levenden mocht behooren, zou hij wellicht de „Kollewijnsche” spelling afwijzen, bewerende, dat, als hij schreef: „De vrouw werd geroofd, de man sloeg de rover met den knuppel,” het niet duidelijk is of de man dan wel de roover geknuppeld is; en even verder:
„Het is inderdaad niet tegen te spreken, dat de vereenvoudigde spelling een streep haalt door buigingsuitgangen, welke in de thans gebruikelijke schrijfwijze als kenteekenen dienen voor de plaats, die een woord in eenig zinsverband inneemt.
M. de R., deze bewering is volkomen onjuist en wel terdege in strijd met ’n gezonde taalbeschouwing. In de beschaafde spreektaal is er geen sprake meer van die buigings-n. Dat weet de geachte Schr. bij eigen ondervinding. En dat men die n niet nodig heeft bij ’t schrijven om de plaats van subjekt of objekt aan te duiden blijkt uit de spellinng van De Vries en Te Winkel zèlf. Neem U slechts in plaats van man en rover de woorden meid en vrouw.
De meid sloeg de vrouw; weet ik nu wat subjekt en objekt is? Immers aan de vorm ook niet. Maar dat is ook niet nodig, M. de R. Taal is de zielsuiting door ’t woord (voor de hoorder: de zielswaarneming door ’t woord) en heeft tot grondslag voor ’n klein logies denken, voor ’t grootste deel ’n psychologies gebeuren, dat bepaald wordt door de omstandigheden. En deze laatste maken de zin volkomen duidelik of sunnen dat altans doen. Het vooraf gesprokene, de voorafgaande uitingen in woord en gebaar, ’t kennen der omstandigheden en feiten bepalen steeds voldoende de betekenis. ’t Is toch niet aan te nemen, dat iemand bij ’t volgende zinnetje (gesteld, dat men ’t zo zou zeggen,) de os slacht de slager, zou beweren: „nu kan de os wel onderwerp zijn.” Verbeeld u!
Omtrent ’t woordbeeld en ’t gebruik van de boeken, die tans gelezen worden is schr. het ongeveer met mij eens. Daarover dus niet. Echter ’n paar andere punten.
De schr. beweert, dat de vereenvoudiging toegeeft aan de neiging tot slordigheid. Hoe? Waarom? Welke motieven wil men voor die bewering aanvoeren? Men vergeet, dat onze lieve Nederl. taal geen Latijn, geen Grieks en geen Duits zelfs ook is, waarin nog vormen bestaan, die wel tot ’t wezen van die taal, maar niet tot dat van de onze behoren. Noemen we slechts één ding. In ’t Latijn heeft men nog werkelik naamvallen bij ’t substantief (Dominus, domini, domino, dominum etc.) Waar zijn derg. vormen bij ’t Nederl. zelfst. naamw.? Alleen ’n paar groepen van substantieven hebben nog ’n possessieve genitief, en bovendien is er nog ’n enkele verouderde datief of genitief. Dat is alles. En toch dwingt men ons naar klassiek model nog steeds van 1e, 2e, 3e en 4e nv. te spreken. Is men nu soms slordig, omdat men ’n open oog heeft voor ’t feit, dat bij ’t Ned. substantief eigelik geen naamvallen bestaan en men niet langer wenst vast te houden aan ’n niets beduidende term?
Slordigheid (achteloosheid) in stijl?
Met sch. wil ik spreken van ervaring, niet op ’t gebied van de journalistiek, maar op ’t gebied van ’t onderwijs en beweren, dat men de klassieke talen niet noodig heeft om behoorlik Nederlands te schrijvenn. Moet ik de consequentie van schrijvers bewering aanvaarden, dan zou ik b.v. de taal van Hooft’s Historiën moeten kiezen tot voorbeeld. Maar, M. de R., dat is Latijn soms on geen Nederlands. Wel „partes” maken, maar meer in overeenstemming met ons taaleigen!
De geachte schr. spreekt over de buigings-n in het dialekt. Maar wat bewijst dat voor de spelling, die tans nog gebruikelik is? Weet men dan niet, dat die n in ’t Oosten en zuiden van ons land volstrekt niet in overeenstemming is met de spelling „De Vries en Te Winkel”? Dat men daar evengoed den zegt bij subjekt als bij ’t objekt? Bovendien de streektaal staat geheel op zich zelf. Men kent ze en houdt ze in eer niet om maar naast de beschaafde.
Ook de spelling „Kollewijn” stelt een norm. Deed ze dat niet, dan was er sprake van slordigheid in de handwerken. Nu kan men slechts met recht spreken van ’n ontwikkeling, zooals elke taal zich volgens z’n taaleigen moet ontwikkelen. Dan nog even over ’t achtervoegsel lik. Hier begreep schr. de vereenvoudigers niet. Zij toch dwingen niemand om in dat suffix de klank i (als in hik b.v.) uit te spreken. De letter ij deugt niet; de i is ook niet volkomen de klank van de i in hik maar de klank, die we reeds lang kenden in sommige, monnik en dergelijke. Men heeft drie tekens om één klank voor te stellen: n.l. de ij (vriendelijk) de e, (bode) en de i (monnik). Welnu de vereenvoudigers willen er één opruimen. Wat is daartegen?
Trouwens dit is ’n zaak, waaraan de Kollewijnianen zelf bijna geen waarde hechten.
Menig vereenvoudiger kan de spelling Kollewijn niet volkomen bevredigen. De een zag graag dit, de ander dat nog gewijzigd. Menigeen wenste misschien wel ’n radikaler hervorming. Doch er moet een norm zijn; anders wordt ’t ’n warboel. Die norm is voorlopig het „Kollewijnsch”, een spelling, die meer ruimte laat om dieper door te dringen in ’t wezen van onze taal; die ons bevrijden kan van ’t keurslijf, dat de vrije ontwikkeling der taal tegenhoudt; die de onderwijzer in staat zal stellen veel ballast over boord te gooien, om beter met z’n leerlingen het karakter van onze taal te beschouwen in dezelfde uren, die hij tans nodeloos moet besteden aan al die overbodige ennetjes, aan die o en oo, die e en ee, die sch. en s. enz.
U. M. de R., hartelik dank voor de verleende, plaatsruimte.
X.
- ↑ Wij merken op dat in dat blad duidelijk was aangegeven het artikel ontleend was aan „Het Vaderland.”
VAN OVERAL
Onvoorzichtig. De kersenkeerder C. Bitter te Zandwijk had een busje met buskruit in zijn zak. Waarschijnlijk door een vonk uit zijn pijp ontbrandde het kruit, waardoor hij nogal ernstige brandwonden aan een hand opliep. Doordat de kersenplukker W. Crum hem in allerijl de brandende kleeren van het lichaam rukte, werd erger voorkomen.
Doodelijk ongeval. De hoer C. V. te Sliedrecht had bij het schoonmaken van zijn geweer het ongeluk zich door het hoofd te schieten, tengevolge waarvan hij gisteren is overleden.
Verdronken. Te Kockengen is het 3-jarig kindje van L., nabij de ouderlijke woning te water geraakt en verdronken.
Branden. Te Veghel zijn totaal afgebrand de boerderijen van Van der Leiden en van Zutphen.
STAD EN STREEK
ONBESTELBARE STUKKEN.
Lijst van onbestelbare brieven en briefkaarten, waarvan de afzenders onbekend zijn. Terugontvangen in de 2e helft der maand Juni. Brieven. Binnenland: Pasjes, Bloemendaal; W. v. Batenbrug, Haarlem; G. Bukhuizen, Heemstede; N. Bisschop, Loosduinen; Wed. W. J. Bleeker, Haarlem; A. de Boer, Haarlem; Adèle Bonet, Maastricht; P. Bouwmeester, Haarlem; Mej. Bruning, Amsterdam; Mej. Adr. Doorman, ’sHage; J. G. W. v. Driel, Haarlem; Garda Drieman ?.. Mej. F. Driessen, Amsterdam; Drinkenberg, fort Vijfhuizen; Mevr. Gelquin, Overveen; Wed. J. Th. H. de Grauw, Haarlem; Stelten adv. No. 3767 Haarl. Dalgblad, Haarlem; No. 4319, H. Dagblad, Haarlem; G. Hangjas, Haarlem; C. Hanseling, Amsterdam; G. H. v. Heck, Haarlem; H. Menfeld, ?; B. v.d. Hoek, Amsterdam; Antje Hoeimink, ’sHage; D. Houwertjes, Haarlem; Mej. Jans, Haarlem; H. Bakker, Uitgeest; Lett. B. W. Kiosk L. P. C., Amsterdam; T. A. J. de Klerk, Haarlem; W. Kock, Haarlem; G. Kool, IJmuiden; Joh. Kroese, Amsterdam; P. G. v. Kuyck Jr., Heemstede; Sergeant A. B. Kuyper, Amsterdam; W. G. Labrie, Haarlem; J. C. de Lang, Santpoort; Lans, Leiden; Levensverz. Mij., Rotterdam; Lind, Amsterdam; M. Mesger, Rotterdam; J. J. Meijerink, Haarlem; Mej. M. M. Muller, Bloemendaal; B. de Munnik, Amsterdam; No. 4948, N. H. Ct., Haarlem; No. 5617 id., Haarlem; Wed. Otter, Bloemendaal Pension Oudendorp, Hilversum; Villa Parkzicht, Zeist; K. v. d. Ploeg, Haarlemmermeer; ej. W. J. v. d. Poll, ’sHage; Postbox 348, ’sHage; J. F. Rose, Haarlem; Th. v.d. Ruinen, Haarlem; J. H. W. Schellings, Heemstede; Wed. Wiegenhert, Heemstede; Wed. Slagter, Bloemendaal; Wed J. J. A. v. d. Sloot, Haarlem; Mll. S. W. Snouck Hurgogne, Middelbrug; Stads-Editie No. 2676, id. No 6740, Haarlem; W. Sterling ?; Mej. M. Stevens, Amsterdam Pension Sturk, Zeist; F. W. Finhaeff, Haarlem; P. D. Tulp, Overveen; Kaashandel, Vesta, Haarlem; Mej. P. Volmer, Hilversum; Dr. L. H. Wagener, Haarlem; J. Walraven, Haarlemmermeer; M. v. d. Westra, Oosthuizen; T. Wun, Haarlem. Briefkaarten: Binenland: W. Vamos, IV Divisie Veldleger; Wed. L. Aronds, Amsterdam; D. Bakhuis, ?; A. H. Bonda, Amsterdam; Breuring, Haarlemmermeer; J. Brock, ?; P. H. Loenen, ?; Mevr.è de Grebber, ?; Mej. C. Grootheugd Amsterdam; Sergeant J. Groothuis, Amsterdam; Mej. Jos. Haenen, ’s Hage; Mej. F. Harnas, Amsterdam; W. Harnas, IV Div. Veldleger; Mej. A. Holt, Amsterdam; Mej. H. v. Hoven, Rotterdam W. Janse, Veldleger; Mej. H. Kellenbach, Amsterdam; Mej. B. Koning, Haarlem; Koster, Haarlem; P. Ladenis, Utrecht; J. Mackensten, Haarlem; H. v. Remmerden, Meppel; G. v. d. Minne, Heemstede; Molenaar, Haarlem; Mevr. B. Mulder, ?; P. v. Nimwegen, Helder; Mej. M. Oostrehuis, Amsterdam; 3 stuks van H. Perry, Haarlem; H. Pool. Amsterdam; Mej. v. Riet, Scoten; S. J. Schaap, Haarlem; Mej. Stegeman, ?; Straas, Haarlem; Speelman, Amsterdam; Mej. G. Triman, Amsterdam; Varroneauw, Rotterdam; F. Vlijmstra, ?; E. Vink, Haarlem; A. v. Waagen, Amsterdam; Zr. A. Wijkamp, Amsterdam; J. Zeehuizen, Amsterdam; Jaantje Visser, ?; Jantje Zeilmaker, Harlingen; id. id.; Zeven briefkaarten zonder adres. Buitenland. Brieven: Miss Elize Gordon, Toranto; Miss Madge Sevens, Machester; Gez. Festers, Hoogstraten; J. Snoek, Boma; G. Kellijs, Curaçao. Briefkaarten: fam. Boriman, Aachen; Karel Lutman, Ponsdorf; M. Zeilmaker, Halifax.
PROGRAMMA.
van het Concert in de sociëteit „Trou moet Blycken”, op Zondag 8 Juli 1917. ’s avonds 8¼ uur, te geven door de Muziekvereeniging „Harmonie”,
1. Marche militaire, Bury. 2. 2e Grande Ouverture, L. Langlois; 3. Recit ut Air de l’opéra Jeruzalem”, G. Verdi; 4. „Carmen Sylva”, Walzer, Ivanovici. 5. „La flûte enchantée”, grande fantaisie, W. A. Morzart. 6. „La reine d’été”, ouverture C. Pannet. 7. a. Air de ballet, L. Boudonck. b. Pavane écassaire, G. Alliers; 8. Grande fantaisie „Zampa”, F. Hérold; 9. Une soirée d’antomme aux Ardennes, A. Govaert.
HINDERWET.
Van B. en W. der Gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude is een bekendmaking ontvangen, dat bij hun besluit van 26 Juni 1917 vooraardelijk vergunning is verleend aan de Wed. F. J. Vasen, te Haarlem, tot oprichting van eene stoomwasscherij met een stoomketel van acht atmosfeeren op het perceel gelegen aan de Nicolaas Beetsstraat no. 9 en 11, gemeente Haarlemmerl. en Spaarnwoude, No. 321 en 322.

FEUILLETON
BERTRAND DU GUESCLIN
Episode uit den Fransch-Engelschen oorlog in de XIVe eeuw.
27)
— Ga dan onderzoeken wat er gebeurt, zeide de koning opstaande, en vereenig geheel mijn gevolg. Zoo er gevaar is, moeten wij op alles voorbereid zijn.
— De deur is gesloten, riep de maarschalk uit.
— Gesloten? onmogelijk.
— Jawel, sire; gesloten en gegrendeld.
— Wij zijn dus slachtoffers van een laag verraad?
En onze schildwachten dan?...
— Zij zullen opgelieht zijn, sire, hernam de maarschalk.
— Op eenige passen van ons... Welaan ridders, dan moet de deur worden ingeloopen. Wee den verraders.
Nauwelijks had de Koning deze woorden gesproken, of al zijne dienaren wierpen zich met geweld op de deur, welke echter onder hunne slagen onwankelbaar bleef.
De soldaten, welke de heer van Villers en Godfried de Harcourt nog steeds gadesloegen, naderden het kasteel meer en meer, De uniformen kon men eenigszins onderscheiden en het was duidelijk, dat zij geene bandieten, maar wel goedgeordende krijgers waren.
— Het is de voorhoede van het leger van Eduard, zeide de baron zacht.
— Moge het waar zijn, maar ik zie nog niet de vaandels van het Engelsche leger.
— Uit voorzichtigheid hebben zij ze verborgen.
Op ongeveer vijftig passen afstand van de ophaalbrug stak de bevelhebber van de afdeeling zijn degen in de lucht, ten teeken, dat hij in het fort wenschte te worden toegelaten.
De baron stuurde een van zijn schildknapen op de bezoekers af.
— De heer van het kasteel, zeide deze tot den aanvoerder, wenscht uw naam te vernemen, alsmede het doel van uw bezoek.
— Zeg aan den heer van Villers antwoordde de aangesprokene, zonder het vizier te openen, dat wij onderdanen zijn van denzelfden koning, en dat hij het doel van mijne komst wel moet kunnen begrijpen. Zoo niet, ben ik bereid, hem nadere uitlegging te verschaffen.
De schildknaap bracht deze woorden aan den baron over, die zich verheugde over het geheimzinnige antwoord. Hij raadpleegde eenige oogenblikken Godfried de Harcourt en gaf toen het bevel de ophaalbrug neer te laten en de soldaten die hij als zijne bondgenooten beschouwde, binnen te leiden.
De aanhoudende slagen op de deur van het vertrek des konings, drongen door tot bij de geheime partijgangers van Eduard III.
— Hoor eens hoe Philips zich beijverd om uit zijn kooi te komen, zeide Godfried spottend tot den baron; maar hij zal nu de regeering niet langer kunnen behouden, welke wij met één sleutel hebben doen eindigen.
Zoo sprekend begaven zich de twee verraders naar de poort van het kasteel door welke de nieuw aangekomene binnen traden. De hoofdman reed hen tegemoet en opende toen het vizier van zijn helm. Op zijn aanblik bleven de heer van Villers en Godfried de Harcourt als versteend staan. Zoo het kasteel boven hunne hoofden ware ingestort, zouden hunne verbazing en hun angst niet grooter zijn geweest.
VII.
Hij, die de twee ridders zulk een vrees aanjoeg, was een man met reusachtigen lichaamsbouw. Zijn gelaat was door de zon bruingetint en kreeg door de zwarte dikke haren, de groote oogen, door zware wenkbrauwen overwelfd, den breeden neus en grooten mond, welke door een dichten knevel werd overschaduwd, een wreed en norsch uiterlijk.
— Bij den degen van Philips van Valois riep hij uit, terwijl hij vlug uit den zadel sprong en zijn zware hand op den schouder van den baron sloeg, ik zie aan uwe verbazing, dat gij ons voor eene bende roovers of Engelschen houdt. Wees maar gerust; wij zijn echte Franschen, lieden die slechts den degen trokken voor den roem en het heil van hun land.
De baron maakte gebruik van de dwaling van den aanvoerder on zeide op zekeren toon:
— Ridder ik zal u gaarne gelooven zoodra ik weten zal, met wien ik de eer heb te spreken.
— Ik merk wel, messires, dat wij nog nooit naast elkaar gestreden hebben, anders zoudt gij u beter Bortrand du Guesclin herinneren.
— Bertrand du Guesclin! herhaalden de twee verraders met eene geveinsde verbazing, want zij hadden den dapperen ridder maar al te wel herkend die reeds twee jaren de schrik der Engelschen was.
Zooals men uit de geschiedenis weet, was Bertrand du Guesclin de edelste en grootste edelman uit dien tijd, zoo rijk aan oorlogstooneelen. Terwijl zoovele andere edellieden zich met den vreemden Engelschman verbonden, om hun hebzucht te voldoen en om een weinig macht te verlangen, ten koste van geheel haar ondergang, vergoot hij, de ridderlijke eervolle man, de vaderlandslievende van den feodalen tijd, zijn bloed en offerde zijn vermogen op, om zijn schoon maar ongelukkig land te redden.
SASSENHEIM. De gemeenteraad vergaderde Donderdag j.l. Aanwezig alle leden.
Voorzitter, de heer P. Besselaar, burgemeester. De notulen worden na voorlezing onveranderd goedgekeurd.
Voor kennisgeving worden aangenomen, eenige door Ged. Staten goedgekeurde raadsbesluiten.
Van Ged. Staten is goedkeuring verkregen voor den aankoop van de buitenplaats „Rusthof”. Van dezelfde mededeeling dat de Rijksbijdrage voor het herhalingsonderwijs bedraagt ƒ 16.80. Meegedeeld werd dat door B. en W. de boeken en kas van den gemeente-ontvanger zijn nagezien en dat deze in orde bevonden waren. In kas was ƒ 2102.33.
Ontvangen is rekening en verantwoording dienst 1917 van de Gezondheidscommissie, zetelende te Alfen, zoo ook de begrooting dienst 1917, de bijdrage voor deze gemeente bedraagt ƒ 44.26½. Eeenige reclames Hoofd. Omslag worden in handen gesteld van de desbetreffende commissie. De voorzitter doet voorlezing van het jaarverslag van de commissie tot Wering van Schoolverzuim, waaruit o.a. bleek, dat het ongeoorloofde schoolverzuim het laatste jaar nogal is toegenomen, wat wel grootendeels te wijten zal zijn aan de mobilisatie, doordat vele werkkrachten in militairen dienst zijn.
In een vorge vergadering werd in handen van B. en W. om advies gesteld, de aanbieding van het Rijk om als Gemeente toe te treden tot de regeling inzake werkloosrheidverzekering, vervat in het Werkloosheidbesluit 1917.
Uit het adres hierover door B. en W. den raad aangeboden bleek, dat B. en W. de meening hierover gevraagd hebben van de besturen der verschillende werkliedenvereenigingen in deze gemeene en dat de overtuiging is, wat zeker wel grooter reden tot dankbaarheid geeft, dat werkloosheid hier eigenlijk onbekend is.
Wel zijn des winters eenigen, meestal met dezelfde namen als vorige winters, werkeloos, maar door de ruime verdienst gedurende de 10 maanden dat zij werken, kunnen deze door overleg wel zooveel oversparen, dat zij den winter doorheen kunnen komen, temeer waar de gemeente, desvereischt soms eenig werk verschaft.
Bovendien vreezen B en W., dat bij toetreding, bij sommigen de prikkel tot werken te loor gaat, daar zoo iemand b.v. een paar weken werkloos zijnde, zich voor ondersteuning aanmeldt, terwijl later blijkt, omdat hij maar ƒ 3 per dag kon verdienen, hetgeen hij weigerden, wijl hij ƒ 4 of ƒ 5 per dag eischte, en een onderzoek is vaak moeilijk.
Doch aangezien wij leven in een tijd van verrassingen en omdat de menschen blind zijn voor de toekomst, achtten B. en W. het wel gewenscht dat de Gemeente tot bedoeld fonds toetreedt.
De kosten zal voorloopig hoogsaens ƒ 10 per jaar bedragen.
Zonder stemming wordt hierna tot toetreding besloten.
Het gemeenteverslag over 1916 zal bij de raadsleden circuleeren.
Het kohier hondenbelasting wordt vastgesteld op ƒ 108.75, betaalbaar 1 September (vorige jaren 15 Augustus).
B. en W. stellen voor aan de gemeente arbeiders Meyer, Vonk en Janssen een duurtetoeslag te geven respectievelijk van ƒ 3, ƒ 2.56 en ƒ 2.—
B. en W. hadden eerst gedacht de salarissen te verhoogen, maar gezien de tijdsomstandigheden vonden zij het beter een duurtetoeslag te geven. Aldus besloten. Zoo ook wordt goedgekeurd de vergoeding voor dienstkleeding van den nieuwen nachtwacht te brengen van ƒ 30 op ƒ 75.
Hierna wordt na eenige bespreking goedgekeurd de suppletoire begroeting 1917 van het distributiebedrijf en wordt besloten hiervoor een geldleening aan te gaan van ƒ 18000 tegen hoogstens 5 pct.
De heeren Bader en Speelman dringen er bij B. en W. op aan om te trachten voor 4½ pct. dezee leening te sluiten, ’t welk B. en W. toezeggen.
Eenige af en overschrijvingen dienst 1917 worden goedgekeurd.
Door de heeren Rijnsburger, Roozen en Bader worden de inugekomen geloofsbrieven van de herkozen raadsleden, de heeren Roest Warnaar en Speelman nagezien en in orde bevonden, zoodat bij monde van den heer Rijnsburger deze commissie adviseert tot toelating.
Bij den rondvraag vraagt de heer Bader het volgende:
De voksmond zegt, dat de Duitsche kinderen op het „Koningehuis” meer levens-