Naar inhoud springen

Pagina:Nieuwe Rotterdamsche Courant vol 073 no 300 Avondblad.pdf/9

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
1
1
NIEUW ROTTERDAMSCHE COURANT. — DONDERDAG 26 OCTOBER 1916 — AVONDBLAD, A.

Avondblad, A.



Letteren en Kunst.


De altzangeres Jacoba Repelaer van Driel zal lin November eenige liederavonden geven met Anton Verhey. De data zijn vastgesteld als volgt: Rotterdam Maandag 20, Haarlem 16, Amsterdam 22, ’s-Gavenhage 23 en Utrecht 27 November[.]



E. J. v. Wisselingh.

(Slot.)

Gebouw Panorama Mesdag.

Men schrijft ons uit Dean Haag:
De schilder Bastert, die in zijn groote schildeijen zoo afgemeten en koud kan zijn, is hier met een viertal kleine werkjes vertegenwoordigd, die de herfststemming op ’t land gevoelvol vertolken. Zijn groote werken zouden het, gelooven wij, in het omringende gezelschap niet uithouden, met deze kleine, stemmigsvolle en zuivere tafreeltjes gaat dat best. De kinderen aan ’t strand van Akkeringa, het stationsplein van de Zwart van zulk een sonoren klank, houden het naast de grootsche Breitner zeer goed uit; zij wekken zelfs zeer duidelijk de aandacht, wat op zichzelf, den machtigen nabuur in ’t oog gehouden, eigenlijk de allergrootste lof is dien men hun kan uitdeelen. Bij de van Wisselingh-collectie zijn eenige ongemeene werkjes. Een Hervier, die een dorp in schrille lichtwerking weergeeft en een aquarel van Jongkind: Antwerpen, frlsch en gul geaquarelleerd, modern als ontstond ze in deze dagen. Spraken we al van den somber schoonen Willem Roelofs met zijn groot gevoel in de landschaplijnen? Eenige van Goyens hooren in dit milieu te huis. Er is van te genieten, zelfs zonder de bekoring mee te tellen, die van een oud schilderij uitgaat, modern als ze ook al zijn in hun loutere, natuurvertolking. Van Goyen, Jongkind, Roelofs en Gabriel, vier meesters uit verschillende eeuwen of eeuwgedeelten en met zooveel overeenkomstig in hun natuuraanschouwing!
Gabriels talent is vertegenwoordigd met den statigen eenvoud zijner teekeningen en met die rijpe, bestorven schilderijen, die even oprecht van kleuruiting als ongewild en rechtaf argeloos, van visie zijn. Doch argeloosheid veronderstelt kinderlijkheid en Gabrel is daarvoor te snedig, te natuurlijk-bewust van de waaarde die de zuiverheid bezit. Zijn zien der natuur is tegenover dat van een Bauer te stellen, die in de nuchture waarheid geen poezie kan ontdekken doch droomen behoeft of, zoo het droomen aan de werkelijkheid ontleend zijn, dan toch met een feëerieke allure. In de boogschutters van Bauer is de meester in zijn element: een landschap van steile lei-blauwe rotsen schiep hij, temidden waarvan bergbewoners met pijl en boog elkaar bevechten. Hebben deze menschen ooit bestaan? We meenen hen veilig voor een fantasie van Bauer te mogen aanzien. Niettemin is deze droom als een werkelijkheid gebeeldhouwd: de reeële onwezenlijkheid van een Arthur van Schendel. Want wijd is de wereld in dit door bergen begrensde landschap: uitgestrekt en de levendig in actie zijnde mensch, zoo nietig in het landschap, is hevig in zich zelf. Hier is het wijde gevoel uitgedrukt, ’t welk een sprookje in zijn uitbeelding noodig heeft: een wereld waarin een andere wereld beweegt. De menschen, zijn zoo klein tusschen de grimmige reuzen, die dommelende rotsen zijn, doch zij meenen zichzelf de wereld alleen!



Men schrijft ons uit Leiden:
Voor de pas opgerichte Leidsche Kunstclub de Sphynx heeft gisterenavond in den Vergulden Turk de heer Theo van Doesburg uit Haarlem een voordracht gehouden over de ontwikkeling van de schilderkunst van Simabue tot Kandinsky.
Spreker meende bij zijn beschouwing niet verder te moeten terug gaan dan tot de 13de eeuw, tot de Italiaansche schilders Simabue en Giotto, die zijn begonnen de schilderkunst los te maken van de wandschildering en het zelfstandige schilderij deden ontstaan. Echter niet zelfstandig voor wat de voorstelling betreft, die nog langen tijd onafhankelijk bleef en was van de religie, tot dat een tweede groote periode kwam in het bijzonder vertegenwoordigd door de oude Hollanders, die in hun werken slechts de natuurlijke werkelijkheid beoogden. Ook Rembrandt behoorde tot dezen, doch naast de natuurlijke werkelijkheid, het licht en de kleur ging zich bij hem ook een geestelijke werkelijkheid, iets van zichzelve, manifesteeren, waarmede het subjectieve element in de schilderkunst zijn intrede deed. De eeuw van Rembrandt was een dood tijdperk van poudre de riz en van pruiken, van verstijvend klassicisme. Deze huldiging van het Grieksch-Romeinsche ideaal van den vorm heeft in Frankrijk zijn voornaamsten vertegenwoordiger gevonden in David. Tijdens de nawerking van de Fransche revolutie ontstond schier een nieuwe groep, die der naturalistische romantici, zooals De la Croix e.a. Op dezen volgden de Barbizonners, die in de kunst weer de volle natuurlijkheid brachten.
De voortschrijdende ontwikkeling der kunst, waarbij de eene kunstvorm groeit uit den anderen, brengt vervolgens het impressionisme, dat niet is een weergeven van indrukken zonder meer, doch tevens is een uiten van gevoelens in toon en kleur: een toonverhoudingskunst. Bijvoorbeeld een groene appel op een rood kleed wordt niet geschilderd, om dien appel of om dat kleed, doch om de groene kleur naast de roode. Men vindt dit impressionisme reeds bij Rembrandt, Vermeer en andere oude Hollandsche schilders, van wie het via Engeland naar Frankrijk terug keert.
Op het impressionisme, dat Daumier als de meest krachtige wegbereider tot het onafhankelijke schilderij der toekomst doet zien, volgt het neo-impressionisme, of luminisme (Signac, Seurat), als overgang tusschen welke beide men Pisarro en Sisley zou kunnen noemen. De Hollander Vincent van Gogh en de Franschman Paul Cézanne vormen van dit luminisme het hoogtepunt. Door Van Gogh is eigenlijk de kiem gelegd van het expressionisme, dat later de tegenbeweging zou worden van het impressionisme.
Cézanne bracht een nieuwe vlakverdeeling en een vernietiging van het perspectivistische, de „trompe de l’oeil”, in het schilderij. En zoo kwam men langzamerhand tot het volkomen loslaten van het object in het schilderij, tot het abstraheeren der kunst van de natuur. Dit was de derde periode in de schilderkunst.
Cézanne leerde reeds dat alles om ons heen tot 5 mathematische natuurvormen is terug te brengen. Nu is er veel verschil van meening of kunst en wetenschap al dan niet één mogen zijn; of de eerste alleen op de emotie mag berusten; of men terugkeeren zal tot het klassieke beeld: tot de natuurof niet. Zoo was het begin der 20ste eeuw een kris-kras van allerlei stroomingen. Spreker gaf hierbij een overzicht van het cubisme, dat onderscheiden wordt in zuiver physisch of visueel, orphisch of rythmisch, en intuïtief cubisme.
Ten slotte beschreef spreker, hoe op het slagveld der artistieke energie, dat het begin der 20ste eeuw te aanschouwen gaf, iemand uit het rijk van den knoet verscheen: Kandinsky, die, gezeten op het hooge paard der lyriek, ons het zuiver abstracte kunstwerk is komen brengen. Spreker schetste hierbij den ontwikkelingsgang, welke Kandinsky tot zijn tegenwoordige inzichten heeft gebracht en hoe o.m. het luisteren naar muziek, o.m. het hooren van Wagner’s Lohengrin, daarop een machtigen invloed hebben uitgeoefend, en hoe hij van de schilderkunst dezelfde werking wenscht als van de muziek. En gelijk de muziek, die de natuur wil nabootsen, meestal een onzuivere is, zoo is het ook met de schilderkunst. De kunst heeft thans de krukken der natuur afgeworpen: zij moet op eigen beenen loopen. Spreker teekent dit door een anecdote over Kandinsky. Op een schemeravond, na een heerlijke „plain-air” schildering zijn atelier binnentredend, ondervond hij een ongekend betooverende kleurenwerking van een schilderij, dat naderhand bleek op zijn kant te hebben gestaan. Hoe hij later het schilderij ook plaatste, het gelukte hem niet de zelfde machtige gewaarwording nog eens te beleven. En wat bleek hem ten slotte? Dat de natuurlijke voorstelling hem daartoe in den weg stond.
Zoo is Kandinsky gekomen tot het loslaten van alle onderwerpen. Verder zegt Kandinsky, dat een toeschouwer niet vóór, maar in het schilderij moet staan. Eerst als hij dit contact weet te krijgen, kan hij van het kunstwerk genieten.
In ons land vinden zijn theorieën toepassing bij een aantal schilders o.a. Mondriaan, Alma en de Winter.
Na aldus de ontwikkeling der schilderkunst te hebben geschetst, verduidelijkte de heer Van Doesburg zijn voordrachten door het vertoonen van een serie lichtbeelden.



Op de gisteren voortgezette veiling van antiquiteiten enz., door de fa. A. Mak te Dordrecht, zijn nog de volgende prijzen besteed: No. 20, Rozenh. Saloncommode, ƒ 1350; No. 557, stel van vijf, ƒ 1225.


Wetenschappelijke Berichten.



Van het ethnografische museum te Bern is het verslag over 1915 verschenen; misschien is het al vroeger verschenen, maar eerst nu is het over de grens gekomen. Op heel wat verslagen is het citaat toepasselijk uit Picolomini „Spät kommt Ihr, doch Ihr kommt”[.] Sommige komen heelemaal nlet; Batavia bewaart de publiciteit van het genootschap voor kunsten en wetenschappen tot betere tijden, omdat, indien er een mail wegraakt, de ontbrekende nummers niet te vervangen zijn.
Het ethnografisch museum van Bern is er een met een zeer opgewekt leven; er wordt gewerkt en de directeur, dr. Zeller, heeft altijd iets merkwaardigs of iets moois te toonen aan bezoekers die daarin belang stellen. Hij is op den duur bezig met het zoeken naar correspondenten, die voor het museum nuttig kunnen werkzaam zijn; in het Tamiangsche (Oostkust van Sumatra) heeft hij nu een meneer aan ’t lijntje, die vroeger al in de Bataklanden gereisd en daar verzameld heeft, en deze toevallig bijeengebrachte voorwerpen aan het museum van Bern ten geschenke gaf. Intusschen verraadt toch deze collectie reeds den flair van den verzamelaar om goede stukken, nl. echte, authochtone, op te sporen, zelfs oude, niet meer bestaande, zooals menschen beweren die zich niet druk maken over deze dingen. Voorzien van een „Sammelprogramm” zal deze correspondent nog wel beter worden, meent de directeur. En op Java zal, van wege dit museum, systematisch en op groote schaal verzameld worden, ten behoeve van het nieuwe gebouw, waarin het merkwaardigste van de maleische eilanden-wereld een onderkomen zal vinden. Zwitserland stelt onze koloniën wel op prijs, vooral nu er van elders zoo weinig los komt.
Daarover klaagt het verslag aan het slot, waar het den zwaren druk gedenkt van den oorlog op het wetenschappelijk leven, allerwege, ook in de neutrale landen van Europa; de musea ondervinden de stremmingen in den toevoer, het verminderde bezoek en, daarmede verband houdende, de dalende inkomsten.
Uitvoerig is dr. Zeller over een serie Siamsche munten, zooals het Rotterdamsche museum er niet lang geleden ten geschenke kreeg, bijna bolvormige stukjes zilver, waarin als muntteeken een scheprad geslagen is en die als bewijs van herkomst den indruk van het Siamsche drieledige zonnescherm te zien geven. Het zijn stukken van 4 tikal (64 gram) tot 1 pal. (0.5 gr.), die ook tegenwoordig, naast de nieuwerwetsche munten, nog gangbaar zijn, maar ijverig opgekocht worden door Europeanen, die er een oogje aan laten soldeeren en zo als vestknoopjes gebruiken.
Voors stelt hij de vraag of poppen museum-voorwerpen mogen zijn, en wel naar aanleiding van de ontvangst eener verzameling Chineesche figuurtjes, die allerlei typen uit het volksleven doen zien. En het antwoord luidt, dat zij stellig in een museum behooren, indien aan de bezoekers iets bijgebracht wordt, dat zij op andere manier niet onder de oogen krijgen. De schrijver haalt als voorbeeld aan den toestel, waarmede in Egypte water opgevoerd wordt, de sakié, een soort noria met put-emmers langs een riem zonder eind, die door een afbeelding moeilijk, door een model dadelijk te begrijpen es.
Van de Filippijnen kreeg het Berner museum een collectie, die niet onbelangrijk schijnt, naar de beschrijving te oordeelen; alleen plaatsen wij een vraagteeken waar sprake is van houten schilden in den trant van de Borneosche aan beide zijden besneden met geometrische ornamenten. Te dezer plaatse herinneren wij ons te kunnen vermeden, dat in het Rotterdamsche museum onlangs een tafel-vitrine ingericht is voor de kleine collectie, die deze inrichting van de Filippijnen bezit. Uitgezonderd de merkwaardige lansen, die in de nabijheid tentoongesteld zijn, is het voorhandene grootendeels door aankoop verkregen uit de dubbelen van de collectie-Schadenberg, en dus van klassieke herkomst. Uit den heel ouden tijd zijn eenige stukken van den heer Meerkamp van Embden, o.a. fraaie bamboe kammen met haneveeren.
Opmerkelijk is, dat dr. Zeller gaarne ethnologische paralellen toont; zoo kreeg hij uit Oost-Borneo twee kleine kooitjes van bamboe, waarin de Dajakscho jeugd allerlei insecten bergt. Bij deze gelegenheid herinnert hij aan de Japansche zede om krekels als huisdieren in kooitjes te houden: en aan de „[onleesbaar]”, waarin Zwitsersche kinderen allerlei diertjes bewaren. Eenigszins ter zijde staan de bamboe waarin de Javaan vechtkrekels bewaart en het korfje waarin hij de diertjes laat vechten; want dit is niet een kinderspel, maar een dobbelspel. Op een andere bladzijde wijst hij op de overeenkomst van antilopenhorns en tijgertanden als amuletten, zoowel in de Bataklanden als in West-Afrika.
Sprekende over de verzameling uit de Bataklanden, roemt hij de mooie houten beeldjes op kalebassen: en noemt hij [onleesbaar]-gereedschap, lampen en klokken van brons „uitloopers van een in de kuststreken zeer ontwikkelde metaal-gieterij”. Dit moet een schrijffout zijn; er is op Sumatra niet zoo heel veel metaaltechniek, maar stellig niet in de kustlanden – tenzij men de kust goed breed noemt.



In de gisteren gehouden vergadering van het Genootschap ter Bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde te Amsterdam zijn als nieuwe leden, ingevolge art. 27 der „Wet” door het algemeen bestuur ter verkiezing voorgedragen en gekozen: J. P. Bijl, arts, Utrecht; dr. H. K. de Haas, Rotterdam; dr. J. C. M. Hartman, arts, Laag-Soeren; prof. dr. J. C. Kapteijn, Groningen; dr. Dan. de Lange Jr., Utrecht; J. A. W. van Loon, arts, Utrecht; A. Nleuwenhuijse, arts, Amsterdam; P. Nleuwenhuijse, arts Bloemendaal; C. Pino, arts, Amsterdam; dr. P. C. Romkes, arts, Groningen; A. E. Sitsen, arts, Soerabaya; dr. H. A. Vermeulen, Utrecht; dr. D. de Vries Reilingh, arts, Groningen; prof. dr. W. van der Woude, Leiden; C. A. Cammaorts, arts, Hontenisse;
en, ingevolge de artikelen 26 en 28 van de „Wet” in 1916 door de secties tot leden gekozen:
Eerste Sectie: dr. G. C. A. van Dorp, Katwijk; dr. H. P. Heineken, Amsterdam; mej. dr. Joh. Hoeflake, Amsterdam; dr. W. C. de Leeuw, Amsterdam; dr. E. E. Mogendorff, Utrecht; dr. W. J. H. Moll, Utrecht; dr. W. J. de Mooy, Leiden; mevr. dr. E. Hoogenboom-Smid, Deventer; dr. F. Zernike, Groningen; dr. J. Moll van Charante, Voorschoten.
Tweede Sectie: Dr. H. Aldershoff, arts, Utrecht; dr. W. E. Emous, Amsterdam; A. Gans, arts, Java, dr. J. J. Halbertsma, arts, Amsterdam; dr. J. de Hartogh Jr., arts, Amsterdam; dr. J. Lankhout, arts, ’s-Gravenhage; J. van Roojen, arts, Amsterdam; E. P. Snijders, arts, Medan; A. J. L. Terwen, arts, Amsterdam.
Derde Sectie: Dr. J. W. van Bisselick, arts, Rotterdam; M. C. A. Bijleveld, arts, Haarlem; A. S. Jacobson, arts, Amsterdam; J. Leopold Siemens, arts, Amsterdam; dr. A. van Tienhoven, arts, (tijdelijk in Frankrijk); dr. A. J. IJzerman, arts, Amsterdam.
Vierde Sectie: Dr. C. E. Benjamins, arts, Utrecht; E. Hekma, arts, Groningen; dr. C. J. C. van Hoogenhuyze, arts, Utrecht; dr. J. W. Jongmans, Leiden; dr. G. F. Rochat, arts, Utrecht; dr. N. L. Söhngen, chem. ing., Groningen; dr. J. J. Tesch, Leiden; dr. Ernst de Vries, arts, Leiden; dr. D. H. Wester, apoth., ’s-Gravenhage; dr. K. Zijlstra, Wageningen.



In het onlangs verschenen jaarverslag over 1915 van ’s Rijks Prentenkabinet staat:
Documenten-verzameling. De hoor P. Haverkorn van Rijswijk schonk een belangrijke collectie brieven van moderne Nederlandsche kunstenaars, op voorwaarde, dat deze niet voor tien jaar na het overlijden van de schrijvers zullen worden gepubliceerd of zelfs aan de bezoekers van het kabinet getoond.”
Worden meer verzamelingen van dezen aard op deze wijze in bewaring geschonken, dan zal het nageslacht een goede bron meer hebben voor de kennis van de hedendaagsche meesters in de schilderkunst.



In Engeland is een groote beweging gaande om de aangifte van geslachtsziekten, gelijk in Denemarken, verplicht te stellen. Vele mannen van invloed als Lord Sydenham, voorzitter van den nationalen raad tot bestrijding van geslachtsziekten, Sir Thomas Barlow, de bisschop van Southwark en vrouwen van aanzien als Lady Barrett, de hertogin van Bedford, mevrouw Lloyd George, Lady Askwith, mevrouw E. Pankhurst, mevrouw Will Crooks enz., hebben zich voor het plan verklaard.


Kerknieuws.



De Protestant, het orgaan van de Evangelische Maatschappij, geeft als bijlage een fraaie wedergave van een portret van den jongen Prins Willem (alweer Willem de Zwijger genoemd) van Antonis Moor. In een bijschrift lezen wij:
„Aan den vooravond eener algemeene vergadering van de Evangelische Maatschappij, die met oprechtheid, verstand en ernst hare houding zal moeten bepalen in de aangelegenheid der grondwetsherziening, welke voor ons volk even belangrijk als gevaarlijk schijnt te kunnen worden, geven wij een jeugdportret van den edelsten held onzer geschiedenis, opdat wij te lichter aan hem indachtig mogen blijven bij het moeilijke werk dat ons wacht. Niet alleen strekke zijn karakter ons tot voorbeeld, maar zijn voorbeeld strekke ons tot leering hoe, wie zichzelf ten doode toe opoffert voor anderen, ten slotte te weeg brengt wat hem als geestelijke taak van hoogarhand op de schouders is gelegd.”



Het Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden merkt op, dat de uitnoodiging van de Noord-Hollandsche Traktementsvereeniging aan vrijzinnige gemeenten in die provincie om een door den predikant aanbevolen collecte voor haar te houden, niet behoeft af te stuiten op de overweging van den predikant, dat hij dan voor eigen huis moet pleiten, aangezien de collecte niet voor hem bestemd is, maar voor de vereeniging, die uit de opbrengst een duurtetoeslag zal geven aan de vrijzinnige predikanten in de provincie, die er het meeste behoefte aan hebben.



(Ingezonden.)

M. de Redacteur,

Mag ik u de volgende rectificatie verzoeken in het verslag van de vergadering van den Nederlandschen Protestantenbond, Dinsdagavond geplaatst? Ik las daar, met eenige vebazing, de woorden „Dr. C. E. Hooykaas eischt, dat het hoofdbestuur er op aansture dat de actie der Vrijzinnige Hervormden in het Bondswerk worde opgenomen.”
Dat doet denken aan schokkende plannen, die ik zou geopperd hebben. In werkelijkheid heb ik eenvoudig gevraagd, naar aanleiding van den overgang van enkele Bondsafdeelingen in afdeelingen van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden, hoe het stond met de groepsgewijze toetreding van vereenigingen, die indertijd op voorstel van het hoofdbestuur reglementair mogelijk is gemaakt. Wordt deze bevorderd, en is ’t mogelijk door ’t dien kant uit te sturen, de N. P. B. meer en meer tot de centrale corporatie van alle vrijzinnig-godsdienstigen te maken?

Met dank voor de plaatsing
uw dw.
C. E. HOOYKAAS.


Ned. Hervormde Kerk.

Beroepen te Woubrugge (toez.) ds. A. C. Enkelaar te Jaarsveld.


Provinciale Staten.



NOORD-HOLLAND.

Gedeput. Staten stellen voor, o.a. de volgende subsidies te verleenen:
Aan de provinciale commissie tot bevordering van de veefokkerij in Noord-Holland voor elk der jaren 1917, 1918 en 1919 een toelage van ten hoogste f 5000;
aan elk der Vereenigingen tot exploitatie van de proeftuinen, verbonden aan de Rijkstuinbouwwinterscholen te Aalsmeer, Hoorn en Alkmaar jaarlijks en tot wederopzegging toe een bedrag van ten hoogste de gezamenlijke bijdragen van particulieren, gemeenten, waterschappen of andere instellingen, doch tot een maximum van f 1000;
aan de Vereeneging tot oprichting en instandhouding van een openbare leeszaal en boekerij te Alkmaar, tot wederopzegging een bijdrage van ten hoogste f 400 per jaar;
aan de provinciale regelingscommissie voor de paardenfokkerijen Noord-Holland voor elk der jaren 1917, 1918 en 1919 een toelage van ten hoogste f 5000;
ten behoeve van het vaccinatiebureau voor Haarlem en Omstreken voor elk der jaren 1917, 1918 en 1919 een subsidie van ten hoogste f 500;
aan de Vereeniging De Tuinbouw te Grootebroek voor de laatste maal, ten behoeve van haar proeftuin voor het jaar 1916 een bijdrage van ten hoogste f 500.
Gedeputeerde Staten stellen voorts voor, buiten verdere behandeling te laten het adres van het bestuur der Middelbare Technische School Amsterdam (tevens Kweekschool voor Machinisten), omdat het bestuur aan B. en W. van Amsterdam heeft medegedeeld, dat het met het oog op de hooge materiaalprijzen, voorloopig van de voorgenomen uitbreiding heeft afgezien.
Gedeputeerde Staten stellen voor, afwijzend te beschikken op het verzoek van den raad der gemeente Texel om de jaarlijksche subsidie ten behoeve van de zeevaartschool dier gemeente tot f 2600 te verhoogen.



OVERIJSEL.

Gedeputeerde Staten stellen voor, afwijzend te beschikken op het verzoek van het bestuur der Vereeniging Openbare Leeszaal en Bibliotheek te Zwolle om een jaarlijksche subsidie van ƒ 1000, daar een openbare leeszaal meer een plaatselijk dan een provinciaal belang is.


Rechtzaken.



RECHTBANK TE ROTTERDAM.

Strafzitting.

De 24 jarige voorklinker J. B. te Hendrik-Ido-Ambacht en de 21-jarige stoker D. v. E. te Dirksland, beiden recidivist en gedetineerd in het huis van bewaring alhier, stonden terecht wegens diefstal door twee vereenigde personen, subs. heling. Aan beklaagden was ten laste gelegd, dat zij te Rotterdam – in een logement aan de Delftsche Vaart – op of omstreeks 12 September, tezamen en in vereeniging, althans ieder voor zich een gouden horloge met metalen ketting, althans een horloge met ketting, zouden hebben weggenomen ten nadeele van J. Tromp. Subsidiair was diegene der beklaagden, van wien mocht blijken, dat hij zich niet aan den diefstal had schuldig gemaakt, ten laste gelegd, dat hij het horloge met ketting uit winstbejag zou hebben verborgen, door het van de plaats waar de diefstal gepleegd was, te verwijderen, ten einde het aldus aan de nasporingen van de politie te onttrekken en dit met het oogmerk om na verkoop een deel van de opbrengst ten geschenke te zullen ontvangen, althans voor zich te behouden.
Alvorens de rechtbank een aanvang maakte met het verhoor der beklaagden, verzocht jhr. mr. J. J. W. Pompe van Meerdervoort, verdediger van den tweeden bekl., een incident te mogen opwerpen. Nadat de gebruikelijke vragen aan bekl. gesteld en door hen beantwoord waren, verleende de rechtbank mr. Pompe van Meerdervoort daartoe verlof.
Mr. Pompe van Meerdervoort bepleitte vervolgens nietigverklaring van de dagvaarding. Pleiter ontwikkelde bezwaren tegen de subsidiaire tenlastelegging met name tegen de clausule: dat „diegene der beklaagden, van wien mocht blijken, dat hij zich niet aan bovengenoemden diefstal had schuldig gemaakt” zich dan aan heling zou hebben schuldig gemaakt. Naar het oordeel van den verdediger stond het vast, dat een bekl. niet uit omstandigheden buiten de dagvaarding zelve moest kunnen weten wat hem ten laste gelegd was; pleiter ondersteunde zijn meening met een beroep op een arrest van den Hoogen Raad, d.d. 10 December 1904, weekblad 6595, te vinden in Hulshoff pag. 146. Op dezen grond vroeg Mr. Pompe nietigverklaring der dagvaarding en de onmiddellijke invrijheidstelling van bekl.
Repliek van het O. M., waargenomen door mrr. Böthlingk, en dupliek volgden.
Na vergadering in raadkamer wees de rechtbank het verzoek tot nietigverklaring, van de dagvaarding en onmiddellijke invrijheidstelling van bekl. af. De rechtbank verwierp de aangevoerde bezwaren, overwegende ten eerste, dat deze slechts de subsidiaire ten laste legging raakten en ten tweede, dat uit de subsidiaire tenlastelegging duidelijk bleek, dat aan belde beklaagden subsidiair heling was ten laste gelegd.
Vervolgens ging de rechtbank tot het verhoor van beklaagden over.
De eerste bekl. verklaarde, dat niet hij, maar de ander den diefstal had gepleegd. Hij zou hebben gezien, dat v. E. een zijner handen naar het vest van Tromp had gebracht, welk vest aan een knop van Tromps ledikant had gehangen en uit een zak van dat vest het horloge gehaald had. Met Tromp en v. E. had bekl. den nacht van 11 op 12 September in het logement aan de Delftsche Vaart doorgebracht en een kamer gedeeld; een vierde persoon was er niet op de kamer geweest.
Nadat v. E. den diefstal gepleegd had, zou hij aan B. het horloge met ketting hebben gegeven en B., begrijpend wat v. E. daarmee bedoelde, was bereid geweest het te gezamenlijken bate te gaan verkoopen.
Het plan was toen geweest, dat B. er alleen op zou uitgaan, maar ten slotte hadden bekl. zich tezamen op weg begeven. Op de Maasbrug gekomen, hadden zij bemerkt, dat een agent van politie hen in ’t oog hield en zou v. E. tot B. hebben gezegd: d . nder het weg. Inplaats van aan dien wenk gehoor te geven, had B. het horloge en den ketting in een der jaszakken van Van E. laten glijden – hij kon niet verklaren waarom.
Van E. verklaarde anders. Volgens hem had B. den diefstal gepleegd; dat vermoedde hij althans. B. had hem wakker gemaakt en hem het horloge laten zien; bekl. had toen wel begrepen dat het van diefstal afkomstig zou zijn en was graag bereid geweest een deel van de mogelijke opbrengst aan te nemen.
Overigens stemde de verklaring van Van E. met die van B. overeen.
Een agent van politie verklaarde, dat hij beklaagden aangehouden had, nadat hij had vernomen dat er aangifte van den diefstal gedaan was en beklaagden er van werden verdacht dien te hebben gepleegd. Hij had bij de aanhouding v. E. tot B. hooren zeggen: wat mot ik met dat ding, ze zouen nog denken dat ik het gestolen heb.
Vervolgens werden nog een agent van politie, de benadeelde en de logementhouder gehoord. De twee laatsten legden verklaringen af betreffende de ontdekking van den diefstal en de aangifte.
Het O. M. zette uiteen, dat naar zijn meening het bewijs van het primair ten laste gelegde geleverd was. Het eische ter zake van diefstal door twee vereenigde personen, bij herhaling, tegen ieder der bekl. één jaar gevangenisstraf.
Mr. H. A. van der Held meende, dat het bewijs van den diefstal tegen den eersten bekl. niet geleverd was en vroeg vrijspraak.
Jhr. mr. J. J. W. Pompe van Meerdervoort was van oordeel, dat het bewijs van den diefstal in geen geval was geleverd, dat althans niet was bewezen wie den diefstal had gepleegd. Zoolang dat niet bewezen was, kon naar pleiters meening ook het bewijs van de heling niet als geleverd worden beschouwd.
Ook deze verdediger concludeerde tot vrijspraak.

Op 22 September had de 23-jarige varensgezel A. D. van hier, recidivist en gedetineerd, in een café aan de Heerenstraat alhier den koopman J. v. Vliet diens portemonnaie met inhoud ontrold. Volgens de dagvaarding had de inhoud van de portemonnaie uit 4 rijksdaalders en een gulden bestaan; van Vliet gaf evenwel op, dat er 5 rijksdaalders, een gulden, drie kwartjes en een dubbeltje in waren geweest. De portemonnaie, de kwartjes on het dubbeltje had van Vliet onmiddellijk teruggekregen. Er waren later op bekl. nog drie rijksdaalders gevonden en in beslag genomen.
Ter zake van diefsal bij herhaling eischte het O.M. vier maanden gevangenisstraf.
Mr. H. F. van Walsem pleitte clementie.

De 47-jarige kantoorbediende H. C. B. alhier stond rerecht ter zake van poging tot verboden uitvoer. Op 23 Januari had bekl., via procuratiehouder der firma Borleffs & Co. alhier, 5 balen ongebleekte katoenen manufacturen door den sleepersknecht S. C. Mulder uitvoer naar Duitschland doen aangeven. Bij onderzoek was vervolgens gebleken, dat de inhoud der balen uit verbandgaas bestond. Aangezien de uitvoer van verbandmiddelen verboden was, waren de balen met haar inhoud in beslag genomen.
Bekl. verklaarde volkomen te goeder trouw te zijn geweest. Het was hem bekend, dat de uitvoer van verbandmiddelen verboden was en indien hij had geweten, dat de balen verbandgaas bevatten, zou hij stellig niet tot den uitvoer hebben medegewerkt. Bakl. had echter niet beter geweten, dan dat de inhoud der balen uit ongebleekte katoenen manufacturen bestond en er dus geen bezwaar tegen gehad, den sleepersknecht Mulder op te dragen om het biljet tot aangifte in te leveren, gelijk hij gedaan had.
De apotheker en scheikundige J. Beker had op verzoek van den rechter-commissaris monsters van de stof onderzocht en verklaarde, dat deze eigenlijk geen verbandmiddel was, maar wel tot steunverband zou kunnen dienen.
De verificateur der invoerrechten en accijnzen J. C. van der Wedden had in de douaneloods aan het Maasstation de balen ontvangen en ook het biljet van aangifte in ontvangst genomen, volgens hetwelk de inhoud der balen uit ongebleekte katoenen manufacturn bestond. Hij had den inhoud onderzocht on rollen aangetroffen van een stof, welke hij als verbandgaas beschouwd had. De stof, katoenweefsel zijnde, was in strooken van ongeveer 1 M. breedte op rollen gewonden; nog niet in den vorm van verband geweest.
Vervolgens werden de sleepersknecht Mulder en ten slotte de koopman van der Velden van Amsterdam gehoord. De laatste verklaarde, dat zijn firma te Amsterdam de firma Borleffs & Co. alhier opdracht tot den uitvoer had gegeven en legde voorts een verklaring af betreffende den aard en de hoedanigheid van het katoenweefsel.
Het O. M. stelde voorop, dat het de goede trouw van bekl. geen oogenblik in twijfel trok. Ter zake van poging tot verboden uitvoer eischte het f50 boete, subs. 20 dagen hechtenis, met verbeurdverklaring van het in beslag genomen katoenweefsel.
Mr. J. Coert kon zich verklaren, dat het O. M. straf tegen bekl. geëischt had, niettegenstaande het van bekl.’s goede trouw overtuigd was. Het was waar, dat het materiëele feit alleen den dader reeds strafbaar maakte en het al of niet bestaan van opzet in dit geval niet in aanmerking kwam. Pleiter was evenwel van oordeel, dat niet bekl. strafbaar was, maar òf de sleepersknecht, die de aangifte gedaan, òf degeen die het biljet tot aangifte onderteekend had. Derhalve concludeerde de verdediger tot vrijspraak; subsidiair vroeg hij een voorwaardelijke straf.
Re- en dupliek volgden.
Uitspraken 2 November.



De Haarlemsche rechtbank heeft heden de Zaandamsche visschers P. d. V. en B. v. d. M., die getracht hebben den rijksveldwachter De Jong en den vischwaterpachter Hartendorp, beiden te Spaarndam, te verdrinken, veroordeeld tot 1 jaar en 6 maanden gevangenisstraf. De eisch was 3 jaar.
Een koopman, wien bedrog met den verkoop van een waschmiddel was ten laste gelegd, werd vrijgesproken. Het O. M. had drie weken gevangenisstraf geëischt.
De 21-jarige bakkersknecht G. G. T. v. Z. te Purmerend, die 9 fietsen verduisterd heeft, zijn patroon voor 30 K.G. suiker heeft bestolen en een buurvrouw voor f17 opgelicht heeft, is veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf, met aftrek van de voorloopige hechtenis. De eisch was 2 jaar, zonder aftrek.
Bevestigd werd een vonnis van den kantonrechter te Haarlem, waarbij een geneesheer te Velseroord, die een apotheek had opgericht, ontslagen werd van rechtsvervolging. De hoofdinspecteur van de volksgezondheid had een vervolging uitgelokt, omdat te IJmuiden, evenals Velseroord behoorende tot de gemeente Velsen, reeds een apotheek gevestigd is. De rechtbank nam de overweging van den kantonrechter over, dat zoowel te IJmuiden als te Velseroord plaats voor een apotheek is.



De rechtbank te Haarlem heeft heden behandeld de zaak tegen den 19-jarigen P. Z. en den 16-jarigen J. K., beiden aldaar, die in den nacht van 8 op 9 Augustus diefstal met braak hebben gepleegd ten huize van den officier van justitie te Haarlem, mr. A. A. Pelerin.
Het O. M. eischte tegen Z., die al driemaal veroordeeld is, 2½ jaar en tegen K. 2 jaar gevangenisstraf.
De verdediger, mr. Merens, pleitte clementie.
Tegen den 30-jarigen opkooper J. K. te Haarlem, die eenige van de gestolen voorwerpen van K. heeft gekocht, werd wegens heling drie jaar gevangenisstraf geëischt.
De verdediger, jhr. mr. J. W. Schorer, achtte het bewijs van den koop niet geleverd en concludeerde tot vrijspraak.

De Kindersluis.

Beste lezer, ik zal u een geheim vertellen.
Het is een soort van staatsgeheim, een wettelijk geheim, een gebeurtenis waarvan de wet zelf beveelt, dat zij een geheim zij.
Ik ga iets mededeelen van een strafzitting met gesloten deuren.
Als gij behoort tot de schrandere lezers — ik twijfel daar niet aan — dan weet gij door den aanhef van dit stuk ook al iets van den schrijver af. Gij hebt al bij u zelf gedacht: dat is geen journalist die dat schrijft. Want een journalist weet van een strafzitting met gesloten deuren heelemaal niets. Juist de menschen van de krant weten er niets van; want het kenmerkende van de gesloten deuren is niet, dat de deuren van de rechtzaal dicht zijn, maar het kenmerkende is, dat de heeren verslaggevers zich bevinden aan den buitenkant van de dichte deuren, terwijl daarbinnen de zitting voortgaat.
Een zitting met gesloten deuren waar een verslaggever bij is, is een contradictie. Zoowel Aristoteles als professor Bolland moeten verklaren dat het onzin is.
Beste lezer, ik leid u binnen in de strafzitting. Ga gerust naar binnen, de deuren zijn open. Gij woont de behandeling bij van eenige zaken. De beklaagden zijn groote menschen. En als de laatste van die groote menschen is heengegaan, dan zegt de president dat de deuren worden gesloten, dat er kinderzaken zullen worden behandeld. U hebt geen ambtelijke functie; dan moet u onherroepelijk weg.
Gij wacht geduldig in de gang, tusschen de verslaggevers. Als gij er een mist, staat die in het telefoonhokje.
Het strafproces verloopt in een kinderzaak niet noemenswaard anders dan in een andere zaak. Wat dat betreft is er niets bijzonders aan te beleven. Toch zijt gij, buiten in de gang wachtende, misschien wel een beetje nieuwsgierig naar ’t geen binnen voorvalt. Daareven is een jongetje binnen geglipt, sjofeltjes gekleed maar met een nieuwe pet op. Langzaam schoven een man en een vrouw daar achteraan naar binnen; de man nog iets sjofeler dan het kereltje, zonder nieuwe pet; de vrouw zonder hoofddeksel en met verschrikte oogen. Dat zijn vader, moeder en zoon. Of liever: zoon en ouders, want de zoon is hier hoofdpersoon; hij is de beklaagde.
Wat zal dat kereltje daar binnen zeggen? En wat zullen vader en moeder zeggen? Dit is het onderwerp van uw nieuwsgierigheid. En die nieuwsgierigheid zal ik bevredigen, door het geheim van de gesloten deuren mede te deelen. Ik kan dat, want ik ben niet mee naar buiten gegaan, maar achter de groene tafel blijven zitten.
Weldra staat de beklaagde voor die groene tafel, tegenover den president. Beklaagde kan net boven de tafel uitkijken. De president vraagt vriendelijk aan beklaagde hoe hij heet en hoe oud hij is en vermaant hem, oplettend te zijn op hetgeen hij zal hooren.
Tot dusverre heb ik geen geheim verteld. Het staat alles te lezen in het Wetboek van Strafvordering, dat het zoo toegaat. Dat een president een kind op vriendelijken toon toespreekt, begrijpt gij ook wel, zonder dat ik het er bij zet. Maar niet in het wetboek van strafvordering staat, wat het jongetje antwoordt op de vriendelijke vragen van den president. Hier moet ik met het staatsgeheim voor den dag komen. Nu het zoover is ben ik wat verlegen met mijn figuur, want ik heb drukte gemaakt voor een geheim dat geen inhoud heeft.
Wanneer gij, beste lezer, nu tegen mij zegt: kom voor den dag met je geheim en vertel mij wat het knaapje binnen zegt, dan fluister ik u in het oor: niets!
Ik behoef het ook eigenlijk niet te fluisteren en zal het u nu maar zonder verdere geheimzinnigheid meedeelen.
Dat knaapje zegt niets.
Dat nietszeggen vangt al aan bij het vragen van den naam.
Hoe is je naam ventje?
Minzaam glimlacht het presidentshoofd boven de witte bef uit het antwoord tegemoet. De rechters luisteren. Het bleeke hoofd van beklaagde zakt iets op zij, de lippen beven, er komt oen zacht gemurmel.
De president weet nu meteen hoe laat het is en hij gaat zelf praten: Ben je Jan Rap? Ben je 3 Januari elf jaar geworden? enz.
Beklaagde reageert op deze wijze van vragen met iets dat op hoofdknikken lijkt en daarmee neemt ieder genoegen.
En nu het feit, waarvoor de booswicht terecht staat. Weer doet de president een poging om het den jongen zelf te laten zeggen. Na het eerste onverstaanbare antwoord zegt de president: kom, jongen, spreek eens wat harder, buiten schreeuw je de heele straat vol en hier kun je geen woord uitbrengen!
De president gaat, na de mislukte poging, over tot de methode van boven en vervolgt: Ben je drie weken geleden in de school binnengeklommen? Heb je in verschillende lokalen de kasten opengebroken? Heb je uit die kasten het spaargeld van de klas meegenomen en versnoept? en de nieuwe potlooden? En verkocht? En mocht je dat wel doen? Die voorwerpen behoorden je niet toe, is ’t niet waar?
De bleeke knaap heeft inmiddels wat staan knikken, en als de president ten slotte zegt, dat er veel klachten over hem zijn vernomen, dan komen er twee tranen, en het gezicht van beklaagde neemt een uitdrukking aan, die duidelijk te kennen geeft, dat hij verder verhoor zelfs het zachte murmelen en het hoofdknikken achterwege zullen blijven.
Beklaagde mag weer op zijn bankje gaan zitten.
Er komen nu een paar getuigen binnen, wier verklaringen „de bekentenis van den beklaagde bevestigen.”
Van het aantreden der ouders, dat nu volgt, valt gewoonlijk weinig na te vertellen.
De president begint met de ouders er aan te herinneren, dat Jan Rap dag aan dag de school verzuimt en uit roover gaat en komt ten slotte neer op de vraag: wat dunkt u nu, dat het beste zou zijn, dat met den jongen gebeurde?
Gewoonlijk zwijgen de ouders niet op de tot hen gerichte vragen. Maar op die laatste, voor de rechtbank gewichtigste vraag, komt geen antwoord. Ja, er komt wel een antwoord, maar strijk en zet is het een antwoord op een heel andere vraag dan de gestelde.
Bij de berechting van kinderen komt het er niet op aan, uit te maken, welke straf de misdadiger eigenlijk heeft verdiend. Het is de rechtbank er om te doen, uit te vinden, welke maatregel het beste vooruitzicht biedt op behoud van het kind. Voor het meerendeel der ouders evenwel, die voor de rechtbank verschijnen „tot het geven van inlichtingen omtrent de opvoeding, het karakter, de ontwikkeling en het doorgaand gedrag van den beklaagde”, zooals de wet zegt, doet het probleem zich heel anders voor. Zij hebben tien kinderen, een ervan wil niet deugen. Dat lastpak veroorzaakt moeilijkheden; brengt de ouders in kennis met de leerplichtwet, doordat hij telkens van school wegblijft; dan weer komt er een agent in huis naar hun zoon vragen, en dan weer een meneer van Pro Juventute. Dat alles is onaangenaam, schaamachtig tegenover de buren, maar bovenal: onvoordeelig. Ten slotte moet vader een dag werk verzuimen en moeder uit haar huishouden loopen om met den jongen naar den Noordsingel te gaan, een nieuwe onaangenaamheid, die het vooruitzicht opent op nog meer moeilijkheden. Voor de ouders is het probleem, hoe zij, in belang van henzelf en van het heele gezin, op de beste manier de moeilijkheden doorkomen, die het lastpak veroorzaakt.
Wat dunkt u, vader, zou u het noodig achten in het belang van den jongen, dat hij voor goed weg ging en elders werd opgevoed? vraagt de president.
Vader: hij is bijna twaalf jaar, hij kan nu gauw bij een baas komen en dan wat verdienen. Wij kunnen ’t slecht missen, meneer.
In dien geest luidt dikwijls het antwoord, vooral als het kinderen betreft die al wat ouder zijn en sedert eenige jaren in de termen vallen om wat te verdienen. Voor de ouders wordt dan de keuze tusschen behouden van het kind of verwijdering naar tuchtschool of opvoedingsgesticht, veelal geheel beheerscht door de vraag of het verblijf van het kind in het gezin financieel voordeel of nadeel oplevert. Loopt de jongen na drie dagen met behoud van wisselgeld bij elken nieuwen baas weg: verteert hij het weinige dat hij verdient aan eigen genoegens; haalt hij, wat ook wel voorkomt, de kleeren van het gezin thuis uit de kast om ze naar den lommerd te brengen en zelf de opbrengst te versnoepen, dan verzoeken de ouders soms alsjeblieft, of de heeren den zoon maar zoo spoedig mogelijk willen weghalen.
Soms verstout zich de president, de opmerking te maken tot de ouders, dat het hier niet gaat om hun eigen belang, maar om dat het kind, een opmerking, die redelijk is, maar door de ouders niet altijd wordt begrepen.
En wat zegt de moeder nu over het „karakter” van het kind?
De jongen is best, heeren, maar het komt allemaal van die ondeudende kameraden; die nemen hem mee!
Moeder meent alzoo dat niet Jan Rap de schuldige is, maar zijn [vriend?].
Ten slotte komt de ambtenaar voor de Kinderwetten, wanneer het Rotterdamsche kinderen betreft. Hij is van de daden van den knaap op de hoogte, weet een en ander over het gezin te vertellen, geeft onbevangen een onpartijdig oordeel over het geval en goeden raad in belang van het kind.
De officier van justitie requireert gewoonlijk overeenkomstig den raad van den ambtenaar voor de kinderwetten — parket en Pro Juventute plegen te handelen in gemeen overleg — de raadsman van beklaagde is het allicht eens met den officier en daarmee is de kinderzaak afgeloopen.
„Naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting”, luidt de wet, gaat de rechtbank straks aan het beraadslagen. Het is waarlijk geen onverschillige zaak, waarover de rechtbank hier te beslissen heeft. Is het feit bewezen, dan kan er van allerlei worden besloten: het kind kan zonder straf aan de ouders worden teruggegeven; er kan geldboete worden opgelegd; de rechtbank kan tuchtschoolplaatsing, een tijdelijke vrijheidsstraf, bevelen; er kan voorwaardelijke veroordeeling plaats hebben. Maar de meest ingrijpende maatregel is, dat het kind aan de ouders wordt onttrokken en door de zorg van de overheid opgevoed. Dit heet: „ter beschikking stelling van de regeering zonder toepassing van eenige straf.” Deze strenge maatregel, de dwangopvoeding tot de meerderjarigheid, de ergste straf, heet in onze wetgeving geen straf. De naam doet er trouwens minder toe. Kinderen die tot deze niet-straf zijn veroordeeld, worden in de wandeling regeeringskinderen genoemd. Deze opvoeding heeft plaats in gestichten, particuliere of rijksgestichten, of in gezinnen. Waar die dwangopvoeding geschiedt, maakt de rechter niet uit, het wordt beslist door, laat ik maar zeggen de uitvoerende macht.
Het is niet altijd de strafrechter die ingrijpende maatregelen neemt ten aanzien van misdadige kinderen. De rechter voor burgerlijke zaken kan het kind op verzoek van de ouders in een tuchtschool plaatsen, en waar misdaad der kinderen kennelijk in nauw verband staat met vewaarloozing door ouders of voogden, worden deze ouders of voogden van hun taak ontzet door den burgerljke rechter in overleg met den voogdijraad.
Ook grijpt de vereeniging Pro Juventute herhaaldelijk krachtig in, met medewerking der ouders, zonder [onleesbaar].