Naar inhoud springen

Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1620-10-09 (2).djvu/4

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

4

ghevioleert zijn gheworden, ende strijdt oock teghen alle eerbaerheyt ende trouwe, die den Ondersaet hare Landt-Vorsten ende Erf-Heeren schuldigh zijn. Waer mede het v noch niet ghenoech geweest en is, dan hebt de selve onghetrouwigheyt oock bethoont, naer de aflijvigheyt, Hooch-loffelijcker memorien de Keyser Matthias, Aen onsen seer Lieven Neve, ende Broeder Heere Albertus, Ertz-Hertoch van Oostenrijck etc. ende noch teghenwoordigh de Lant-Vorstelijcke Residentie tot Lints, met het Keyserlijc Casteel onthoudende zijt, ende met v Krijchs-Volck beset, ende daerenboven de vyanden ende Rebellen van Bohemen met uwe Krijchs-luyden onderstant ghedaen, ende passagie, ende Vivers laten volghen, ende ter contrarien de passagie teghens ons hebt besloten ghehouden.
Ende alsoo dese Vorstelijcke Erf-landen wt crachte van behoorlijcke Cessie op ons ghekomen zijn, ende ghylieden al even wel teghens ons uwen aengebornen Erff-Heere, ende Landt-Vorst blijft rebelleren, ende v wederomme van nieus met de voorsz. onse Rebellen ende vyanden van Bohemen verbonden, ende met uwe Krijchs-lieden dit ons Hertochdoms Landt op der Ens vyantlijcken overvallen, ende sommighe vander ghehoorsaemen Staeten, Lant, Steden, Casteelen, ende Cloosters belegert, bescho-

ten,