4
De Naemen der Ridders, die de Valley van Agnedina oft Eggedina, ende anderen hebben verlost van de Calvinische slauernije, zijn dese:
| Rudolfus Pianta, | |
| Ioannes Molina, | |
| Fabius Prouoſto, | Edelmans. |
| Lucius de Monte. | |
| Georgius Giorgi, ende andere |
Om te comen tot het particulier relaes, alsoo dese Voorseyde Ridders hadden ghesteldt den 19. dach Iulij des Jaers 1620 om te beginnen het exploit dat sy hadden voor handen, soo is Iacobus Robuſtelli op den voorseyden 19. Julij, zijnde Sondach, met hondert wel ghewapende mannen, eerst ghevallen in het Landt van Bormio, palende aen het Graefschap van Tirol, ende aen de Grisons. Van dese hondert Soldaten heeft hy de vijftich ghesonden om in te nemen Poſchiano, zijnde een van de principaelste plaetsen des Valtellina. Ende met die andere vijftich Soldaten, in den selven morghenstondt is hy ghecomen inde Stadt Tirano, ende in die eerste Furie zijn aldaer doot ghebleuen meest allen de Calvinische mans persoonen, sonder eenich leet te doen aen vrouwen oft kinderen. In Poschiano heeft hy alles de Inwoonders doen eedt doen van ghetrouwicheyt, ende van voor te staen het Catholijc gelooue, ende heeft allen die Caluinisten doen vertrecken wt het Landt.
Wt Tirano see heeft den voorseyden Iacobus Robuſtelli terstont tijdinghe ghesonden aen zijn twee Cousijns Azo & Carolus Beſta, woonende binnen de Stadt Teglio, de welcke met twintich mannen hebben oueruallen de Calvinisten, zijnde in de Predicatie, sonder nochtans te raecken aen Vrouwen oft Kinderen. Patientia læſa fit furor.
Van daer zijn dese Ridders ghetrocken, met ettelijcke Soldaten naer het Landt van Ponte, suyver zijnde van alle Ketterije, al waer Capiteyne was Ioannes Antonius Guicciardi. Dus zijn sy met hondert mannen ghetrocken naer die Stadt