Naar inhoud springen

Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1620-11-20 (1).djvu/7

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

7

VVt Buddiſsin 29. October.

Den Ceur-Vorst van Saxen heeft eenich Chrijsvolck verdeylt in Steden, voor het Winter, ende de tijdinghe compt wt Lausnits als datter niet meer in het Lant en is dat teghen houdt als Suppen dat hem alles onder zijn Cheurvorstelijcke Genade van Saxen begheven heeft, in de Stadt Luppa zijn 14. stucken Gheschuts ghevonden, ende neghen Centner Poeyer, ende in de Stadt Lubau 8. stucken geschuts.

VVt Eger van 13. Nouember, 1620.

Des Keysers Volck hier ontrendt in den Sazer Creiz, ouer de Massen ouer, smijtent al doot, ionck ende oudt datse crijghen connen, ende hebben den 2. ditto de Stadt Plan met een Casteel vier mijlen van hier alles wt gheplundert, ende daer naer aen de vier hoecken in brant ghesteken, ende tot asschen laten verbranden, alles wat niet wech loopen en coste, wert doot gheslaghen, alsoo ist oock ghebeurt met die van Kuteniblen, ende alles verbrandt, waer van hier oock gheen Dorpen seker en zijn.
Des Sondaechs was hier een groote vluchtinge van Schlackenwald, ende andere plaetsen daer ontrent, van wijf, Kinderen, ende Goederen, Graen ende Beesten, soo dat het niet te schrijven en is, de tijdinghe compt hier dattet een groote desolatie is om sien ouer allen int lant, de doode lichamen diemen in allen

plaetsen