Naar inhoud springen

Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1620-11-20 (1).djvu/8

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

8

plaetsen vint ende siet ligghen op de velden, ende verstroyt de Huysen, verbrant, ende Kasteelen geruineert waer over den Marckgraeff vermeynt vry te zijn, ouermits den Vorst van den Brandenborch zijne Grentsen sterck besedt, om de Bohemen te helpen.
Van ghelijcken onsen nieuwen Coninck van Bohemen besedt allen plaetsen sterck met Garnisoen, een twee oft dry mijlen hier ontrent, in Steden en Dorpen, als het noot is om t’volck by de werck te hebben, ende desen dach heeft den nieuwen Coninck hier Garnisoen in willen leggen, te weten 250. voetknechten, ende een Compagnie Ruyters, d’welck men heeft af gheslaghen, ende gheweygert, seggende: dies noot zijnde geerne willen doen.
Den nieuwen Ghepretendeerden Coninck is van Rockenzan met den Legher op gebroken, ende des Keysers Legher en leyt maer een halve ure den eenen van den anderen, ende schermutseren somwijlen tegen malcanderen, des Graven van Bucquoy volc heeft Plan afghebrant in Bohemen.

I.Z.V.H.

FINIS.