Naar inhoud springen

Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1620-11-26.djvu/4

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

4

DEn 9. deser Maent zijn den Hertoch van Beyeren ende Grave van Bucquoy met hunne Legher Meesters vande Stadt, ende Casteelen van Praghe gheworden in spijdt vanden Legher vanden Pals-Grave, ende andere Rebellen, hebbende over de vier duysent van hun Volck verslaghen, ende vier en twintich Cornetten af hendich ghemaeckt, ende seven Stucken Gheschuts, De twee Enghelsche Ambassadeurs die ouer ettelijcke Maenden herwaerts bevonden hun in de Stadt, ende siende dat hunnen Heere Schoon-Sone de Neerlaghe creech, begonsten van Parlementen te spreken, dan hadden te langhe ghewacht, soo dat ons volck hun terstondt deden retireren, ghevende alsoo voortganck aen hunne begonste Victorie die brenghende tot een gheluckigh eynde, hoe hun metten Buet sal vergaen hebben, en schrijven niet noch oock waer den Pals-Grave hem gheretireert heeft, segghen alleenlijck datter eenen Cousebandt vande Ordre van Enghelandt soude ghevonden zijn, die ick meyne den zijnen moet wesen, metten eersten wordt breeder Informatie van alles verwacht, Dese Tijdinghe heeft den Hertoch van Beyeren aen den Ceur-Vorst van Mentz gheschreven die den originelen Brief aenden Marquis Spinola ghe-

sonden