Deze pagina is proefgelezen
4
HOOF-MEESTER.
Den Coninc van Enghelandt.
Ick moet het huys heel reformeren,
Want zijn volck (alst blijckt) docht niet met allen,
Wy souden hem gheheel ruineren,
En iammerlijck doort bedt stroy doen vallen.
VOORSNYDER.
De Grave van Mansfelt.
Ick hadde mijn mes niet wel doen slijpen,
Ick maackte veel te groote stucken,
Den Coninck en conste niet begrijpen,
Hy moester hem wel deerlijck aen verslicken.
POORTIER.
Den Koninck van Vranckrijck.
Ick wil in tijts de poorten toesluyten,
Want die Geusen stellent al opt rooven,
Sy ligghen onder malcanderen en muyten,
Sy mochten oock eens myn croone berooven.
SPEEL-MAN.
Den Hertoch van Beyeren.
Ick heb den Coninck een speelken ghespelt,
daer hy quaelijck toe wiste de passen:
T’was