Naar inhoud springen

Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 021.djvu/4

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

4


Possessi had’ ghenomen,
Int Bemers wilde wout,
Sy souwen met al haer machten,
Gheen weerstant kunnen doen,
Dus deden zy sonder verwachten,
Den Oyeuaer derwaerts spoen.
Met haest is hy ghevloghen,
Naer d’Bemers Wouts ghewest,
En heeft om eer te ploghen,
Verlaten zijnen nest,
Hy is Coninck ghecoren,
Van voghelen ongheacht,
Die hem noch sullen verschoren,
Qualijck is hy bedacht.
Sy hebben ghemaeckt verbonden,
En vast accoorden siet,
Om den Edelen Arent in gronden,
Tesmijten, dit bespiet,
Den Specht met die Nacht-ulen,
Rauen en Roecken met,
En willen voordaen meer schuylen,
Onder zijn voglen net.
Den Koeck-Koeck hier beneuen,
D’accoort van weerden hout,
Den Putoir hier verheuen,
Stem roept wt d’lis benout,

Helpt