Pagina:Noodlot.djvu/14

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
13

de blankheid der lakens, de frissche warmte der dekens, van het nachtlichtje, dat bescheiden schemerde door zijn groen gordijn. In zijne oogen begon een glimlach te tintelen, om zijn mond ook. En hij sliep in, zonder te denken aan morgen, rustig in de zorgeloosheid van het heden en de warmte van zijn bed, bijna leêg van hoofd, alleen met dit enkele, kleine gedachtetje: dat Frank toch een goede jongen was!




II.


Het vroor den volgenden morgen; de sneeuw glinsterde kristalachtig hard. Zij hadden ontbeten en Bertie vertelde van zijne ongelukken in Amerika. Hij had zich door Franks barbier laten knippen en scheren en hij droeg kleêren van Frank, die hem wijd als zakken waren; een paar pantoffels, waarin zijne voeten dansten. Hij begon zich reeds minder vreemd te voelen en koesterde zich als eene kat, die een goed plekje gevonden heeft. Hij lag gemakkelijk in zijn stoel, rookte behagelijk, noemde Frank, op diens verzoek, jij en jou, en zijne stem klonk zacht smeltend, met een klankje van prettige vroolijkheid, iets als gedempt goud. Frank had schik in hem en liet hem vertellen en hij deed het eenvoudig weg, zonder te blageeren op zijne ellende; alles was geweest zooals het had moeten zijn, het had niet anders gekund. Hij was nu eenmaal geen troetelkindje van het lot, dat was alles. En hij was