Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/10

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
VIII
 

een oog begonnen te krijgen voor de schatten, welke voor hunne kunst uit de natuur, de historie, het volksleven van hun eigen land konden gedolven worden. In wat het Noorsche volk zelf gedicht, gedacht en gedaan had, vond de litteratuur een’ vasten gezonden bodem, waaruit zij als nationale kunst kon opwassen. Zoo oordeelden ook en daarnaar handelden twee mannen, die een’ allerbelangrijksten invloed op de letteren van hun vaderland hebben uitgeoefend: Jörgen Moe en P. Chr. Asbjörnsen. De eerste verzamelde de volksdeuntjes, hier en ginds in omloop; te zamen gaven zij een aanzienlijk getal uitstekend vertelde—»Folke-eventyr"—volkssprookjes ten beste, en nadat Moe zich geheel aan zijn kerkelijk ambt—hij is »praest" te Drammen—en aan de geestelijke poëzie had gewijd, schreef de houtvester Asbjörnsen eene nieuwe verzameling Huldersprookjes en Volkssagen, schoon op gansch anderen trant, dan toen hij gemeenschappelijk met Moe arbeidde. Terwijl toch de »Folke-eventyr" streng objectief zijn gehouden en zoo getrouw mogelijk weergeven, wat de vrienden uit den mond des volks hadden opgevangen, geeft Asbjörnsen hier, terwijl hij zijne lezers deelgenoot maakt van de wijze, waarop hij aan de kennis zijner vertellingen is gekomen, eene schildering van natuur en volk, die, naar ’t oordeel van een landgenoot, aan de dichterlijkste kleur eene betooverende getrouwheid paart.

Of de vriendelijke lezer het gunstig oordeel van des auteurs landgenooten zal deelen? Afgezien van het belang, dat de Noren als zoodanig in dit voortbrengsel hunner letteren moeten stellen, heeft de vertaler geen