Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/11

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
IX
 

recht tot twijfel. Daar schuilt, meent hij, ook ten onzent genoeg belangstelling voor ’t volksgeloof eener stamverwante natie; genoeg zin voor de poëzie van natuur en volksleven, om eene goede ontvangst dezer vertellingen te waarborgen.—Ge hebt Gerard Keller’s Zomer in het Noorden gelezen en genoten? Welnu, hier wordt u stoffe geboden ter aanvulling uwer kennis door iemand, wiens lust het jarenlang was, te dwalen door de geurige dennebosschen, te zwerven langs de oevers der bergstroomen, te kouten aan den haard der eenzame saeters van zijn land. En zijn de voorstellingen, door Keller’s boek in u gewekt, verflauwd; — men leest in onzen tijd zooveel; — neem zijn tweede deel nogmaals ter hand en gij vindt er beter opheldering van wat u vreemd mocht dunken, dan eene enkele aanteekening 't zou kunnen.

Toch niet over den inhoud der volkssagen, zegt gij, en de vertaler zal ronduit bekennen, dat het denkbeeld hem heeft toegelachen, elke vertelling te doen volgen door eenige opmerkingen, die duidelijk in ’t licht stelden, hoe groot de verwantschap is geweest of nog is tusschen ’t volksgeloof der Noren en Nederlanders. Maar hij heeft begrepen, dat de identiteit op dit punt, behoudens karakteristieke verschillen, tusschen de Germanen en Skandinaviërs door Grimm in zijne Deutsche Mythologie te klaar is bewezen, dan dat men dit feit nog als iets nieuws behoefde mede te deelen. En vervolgens duchtte hij niet zonder reden, dat eene uitvoerige aanwijzing der verschijnselen, die deze waarheid staven, kwalijk in overeenstemming mocht zijn met den bescheiden vorm, waaronder dit boekje optreedt.