Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/12

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
X
 

De lezer, die in dit onderwerp belang stelt, zal bij Grimm, bij Simrock in zijn »Handbuch der Deutschen Mythologie", bij Van den Bergh in zijne »Volksoverleveringen", maar vooral in zijn »Kritisch Woordenboek der Ned. Mythologie", of uit J. W. Wolfs Niederländische Sagen" kunnen zien, welke treffende familietrekken de overleveringen van beide volken vertoonen. Er is bijna geen enkele trek in de vertellingen van Asbjörnsen, die men niet hier of daar in Nederland terugvindt. Zelfs Holda—de vriendelijke—wier naam ons van de lippen glijdt, wanneer wij »hou en trou" zweren aan onzen vriend of onze »hulde" brengen aan de min, heeft ook ten onzent hare vereerders gehad; al belette haar karakter van berg- en woudgeest natuurlijk, dat zij in onze overleveringen eene rol zou spelen, zóó belangrijk, als zij met hare volgelingen, de Huldren, in de Noorsche volkssprookjes vervult. Schuilt er in onzen bodem geen schat van metalen, die in ’t Noorden de volksfantazie kon doen ontvlammen, toch wist men ook bij ons te verhalen van schatten, hier en daar verborgen, en wier bestaan werd verraden door een geheimzinnig schijnsel. En droeg ook bij ons de kwaal, die wij »engelsche ziekte" noemen, geen daemonisch karakter, wij hadden toch even goed tooveressen, die lood smolten, dat plotseling afgekoeld in zonderlinge figuren den aard van verschillende krankheden openbaarde.

En zoo zouden wij kunnen voortgaan en doen opmerken, hoe ook het Nederlandsche volk zijne vertellingen bezat omtrent de gedaanteveranderingen van duivel