124 BAND KUNDIGE TAFELEN.
banden, welke zig aan den omtrek van de fchuine uit- fteekfels hechten. 9. De banden van den laatften lendenwervel methet heilige been, welken gelijk zijn aan die, waardoor de overige wervelen famengehouden worden. I. 14de TA FE L. VAN DE BANDEN DER RIBBEN EN DES BORSTBEENS. De verven er en ribben vercenigen zig van achteren met de rug- wervelen door haare hoofdjens en halzen; in dier- voegen, dat, a) het grootste loofdjen in de groef, die twee lichaamen van wervelen famen uitmaaken, wordt ontvangen, uitgezonderd de certte en laatfte rib, waar- van de eerfte in de groef, welke de cerite rugwervel, de laatfte in de groef, welke de twaalfde alleen uit- maakt, ontvangen worden: b) het kleentte hoofdjen zig met den kuil vereenigt, die door den punt van elk dwars ruggewervels uitfteekfel gevormd wordt, terwijl er ook eene vereeniging door banden plaats heeft, tus- fchen den hals der ribben en de wervelen: van vooren vereenigen zig de zeven bovenfte ribben met het borst- been door hunne kraakbeenderen, maar de kraakbeen- deren der vijf onderfte ribben zijn ieder met het kraak- been der voorgaande verknocht. De banden, die tot decze famenhechting behooren, zijn de volgende: 1. De wervelbanden der ribben (lig. coftarum vertebralia): dusdanige zijn die banden, welke het grootite hoofdjen der ribben met de lichaamen der wervelen vereenigen: zij beginnen met het eene einde van den omtrek der gemelde hoofdjens, en eindigen met breede vezelen aan den omtrek van de kuiltjens der wervel- lichaamen: 2. De dwarfe banden (lig transverfalia): dusdanige zijn de banden, welke de geleding van 't kleene hoofdjen der ribben met den kuil, die in elk dwars uittteekfel gevonden wordt, vasthouden, en wier vezelen van bui- ten, naar de ribben toe, de fterkfte zijn: 3. De inwendige banden van den hals der ribben (lig. colli coftarum interna): dezelven beginnen aan den bo- venrand van den hals der ribben, en eindigen aan de