SPIERKUNDIGE TAFELEN. 143
4. De borst-tongbeenfpier (ternohyoides): zij ontftaat van het borstbeen en van het fleutelbeen, en plant zig in aan 't ondergedeelte van 't grondítuk des tongbeens: zij trekt hetzelve nederwaards.
5. De fchouderbladstongbeenfpier (omohyoides): zij neemt haar begin aan den bovenften rand van 't fchouderblad, en eindigt aan het onderfte en zijdelijk gedeelte van het grondftuk des tongbeens: deeze fpier heeft in het midden eenen langen en finallen pees, en haare wer- king is, het tongbeen naar onderen en eenigzins zij- waards te trekken.
II.
De tong kan ontelbaar veel beweegingen maaken, en deeze worden uitgewerkt, niet alleenlijk door de vijfpaar fpieren, welken zig met haare eene einde aan de tong, en met het andere aan andere deelen hechten; maar ook door de vleeschvezelen zelven, die in de tong haaren oorfprong neemen, en even daar ook haar einde vinden: WINSLOW noemt deeze laatfte, inwendige spieren, en de andere uitwendige: andere fchrijvers geeven aan de inwendige fpieren eenen anderen naam, en heeten ze tong- fpier, waaronder men dan alleenlijk die fpiervezelen ver- ftaat, waaruit het lichaam der tong famengesteld is, wel- ke gedeeltelijk in de lengte en gedeeltelijk dwars loopen. De uitwendige fpieren zijn de volgende:
I. De kins-tongfpier (geniogloffus): deeze neemt haaren oorfprong van de kinsvereeniging der onderkaak, bo- ven de kinstongbeenfpier, eindigt in de lengte aan het onderdeel der tong, en beweegt dezelve voorwaards.
2. De gronds-tongfpier (bafiogloffus): zij begint van den bo- venrand van 't grondftuk des tongbeens, niet verre van den grooten hoorn, en plant zig in aan het onder- deel van den bodem der tong.
3. De hoorns-tongfpier (ceratogloffus): zij neemt haaren oorfprong aan den grooten hoorn van het tongbeen, en plant zig ter zijde aan den wortel der tong in.
4. De kraakbeens tongfpier (chondroglofus): zij begint aan het uiteinde van den grooten hoorn des tongbeens, en plant zig ter zijden en meer naar achteren in aan de tong: deeze drie spieren beweegen de tong achter- en onder-waards, en verkorten aldus de tong.
5. De priemstongfpier (ftylogloffus): zij begint aan het priemswijze uititeckfel, en eindigt aan het onderfte,