Naar inhoud springen

Pagina:Ontleedkundige tafelen ... verrijkt met eenen ... bladwijzer, en aanhaalingen der plaaten van B. Eustachius (IA b22034043).pdf/221

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

INGEWANDKUNDIGE TAFELEN. 213

veerkrachtig vlies bedekt, het welk van den breeden band voordkomt; en, naar deszelfs ontdekker, beurs Van GLISSONIUS (capfula GLISSONII) heet: deeze beurs omkleedt, op de wijze eener fchede, alle, zelfs de kleenfte, takken van den poortader, en vergezelt ze door de gantfche lever: in zulk eene beurs ligt te ge- lijk, bij iederen tak, een takjen van den poortader; een tak van den lever-flagader; een tak van de leverbuis, en een zenuwtak.

De uiteinden van de kleenfte takken van voornoemde vaten, maaken eindelijk door derzelver inëenwikke- ling, kleene klierachtige lichaamen, die op gelijke wijze met de beurs van GLISSONIUS omgeven, door eene celachtige zelfftandigheid vereenigd, en klier- korlen (acini glanduloft) der lever genaamd worden.

c. De holle ader (vena cava): deeze gaat met deszelfs itam tusfchen de linker kwab, en het kwabjen van SPIGELIUS, langs de lever, zendt aldaar drie à vijf takken af, die zig in de zelfstandigheid der lever be- geeven, en leveraderen (vene hepatica) heeten, wier uiterfte einden met de uiteinden van den leverflaga der en poortader, door inmonding vereenigen:

d. De leverbuis (du&us hepaticus) deeze komt met de kleentte einden, welke galpijpjens (pori bilarii) hee- ten, van de klierkorlen voord; veele zulke pijpjens komen famen en maaken de takken van de leverbuis, die eindelijk allen in eene buis uitloopen, welke de eigenlijke leverbuis is, dezelve begeeft zig uit de uitgehoolde oppervlakte der lever; gaat eerst alleen, vervolgends vereenigd zij zig met de galblaasbuis:

De watervaten (vafa lymphatica): men vindt dezelven. in groote menigte op de buiten- en binnen- vlakte alwaar zij onmiddelijk onder den buitenften rok gele gen zijn; zij gaan van de lever naar den chijlzak:

f. De zenuwen der lever: zij komen van de levervlecht voord, en deezé neemt haaren oorfprong van de tus- fchenribbige en van het dwaalend paar: zoo veele tak- fcheuten als de poortader heeft, even zoo veele ze- nuwtakken zijn er ook in de lever, welke echter one. gemeen fijn zijn.

Eindelijk ontdekt men nog, tusfchen de bogt van den poortader en den hollen ader eenen witachtigen band, wel- ke door de beurs van GLISSONIUS bedekt wordt, en, bij eene vrucht de aderbuis (canalis venofusy geweest iss:

0.3.