Naar inhoud springen

Pagina:Ontleedkundige tafelen ... verrijkt met eenen ... bladwijzer, en aanhaalingen der plaaten van B. Eustachius (IA b22034043).pdf/224

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

216 INGEWANDKUNDIGE TAFELEN

13 naar de holte der onwaare ribben gekeerd; de andere is uitgehoold, en door eene groef weder in twee kleene holten verdeeld, waarvan de bovenfte door de linker nier, en voorwaards door een gedeelte des karteldȧrms, bedekt wordt: in deeze groef, waaraan zig ook het groote net hecht, gaan de vaten in de milt, ..

Men vindt in eenige dieren, als osfen, kalven enz. van buiten twee vliezen om de milt, welken door eene celachtige zelfstandigheid van elkander afzonderlijk zijn: in menfchen is het moejelijk twee rokken er aan te onder- kennen, men ontdekt veeleer maar een enkelde: dezelve is vrij vast, en op deszelfs binnenzijde met eene celachti- ge zelfftandigheid voorzien het is een vervolg van 't'net, van welks celachtigheid.de celachtige zelfstandigheid der milt voordkomt, ja zij vergezelt de miltvaten en vormt de cellen in derzelver zelfftandigheid.

De zelfstandigheid der milt wordt tevens bekend, wan- neer men het famenftel van, derzelver vaten in overwee- ging neemt deeze nu zijn flagaderen, aderen, zenuwen en watervaten, naamlijk de navolgende:

1. De miltflagader (arteria fplenica): dit is een tak van den buiksflagader, en naar evenredigheid veel groo- ter dan'ter voedinge van de milt fchijnt veréischt te wor- den, inzonderheid als men ze met den leverflagader ver- gelijkt zij gaat flangswijze naar de milt, maar, vóór dat zij in de zelfstandigheid ingaat, verdeelt zij zig in drie of vier takken, welken door de grocf in de miltingaan, en zig daarin met ontelbaar veele takken uitbreiden, en aran derzelver einden kleene knobbeltjens vorment, die niet anders dan omwindingen van flagadertjens zijn: uit ieder knobbeltjen komen twee fijne vaatjens voord; het eene is kort, en loopt in de celletjens der milt uit; het andere is langer, en, naar de nieuwfte meening der Ontleders, een waterflagader, die wegens zijne onge- meene kleenheid het oogmerk moet ontvlugten, en met eerder weêr zichtbaar wordt, dan na dat hij lang- zamerhand grooter wordt, en in eenen waterader overgaat.

2. De miltader (vena splenica): deeze is een tak van den poortader, heeft bij gevolg geene klapvliezen: hij ver- deela zig, eer hij in de milt gaat, in veele takken, die door de groef in de milt gaan, de flagaderen vergezel- len, doch niet tot aan de uiteinden toe, noch ook zig