Naar inhoud springen

Pagina:Ontleedkundige tafelen ... verrijkt met eenen ... bladwijzer, en aanhaalingen der plaaten van B. Eustachius (IA b22034043).pdf/268

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

260 INGEWANDKUNDIGE TAFELEN,

gehecht wordt: het beftaat insgelijks uit vaatjens, die een hjmachtig vocht in zich vervatten, en is met eeu fijn cigen vlies, dat {pinnewebswiize rok (tunica arachnoidea) heet , omgeven. welke van fommigen ten cencnmuaale ontkend wordt: tusichen dit vochten de achterfte opperviakte van het druifvlies, bevindt zig ecne kleene ruimte, die achterite kamer van

  • t 00g (camera oculj posterior) zenaamd wordt.

c. Het waterachtig vocht (Aumor agueus): het is een waterig, eenigzinsziltige en kieverige wije ,’twelk zig in de beide kameren van *t oog bevindt, en waarvan inde voorite kamer bijna viermaal zoo veel vervat is als in de achterfte.

3. De vaten van den oogbol zijn decls flaraderen, deels aderen, deels watervaten, en deels zwarte buizen (dudius nigri)i de flagaderen zijn van den uit- en in-wen- digen kropflagader herkomftig; de aderen loopen decls in den boezem van het dikke hersfenviies, deels in den {trotader: watervaten heeft VALSALVa in een osfen- oog gevonden, en daaruit beflooten , dat ze ook bij menfchen moesten zijn: de zwarte buizen zijn van den beroemden HoV1US in Zijn 77ad. de circulo humorum in ocule, allerbest befchreven:

4. De zenuwen des oogs in “t algemeen zijn het 2%* 9% 4de en Gde paar hersfenzenuwen, als ook de eerfte tak van “t 5%* paar, dic gezamentlijk in de zenuwkundige tafelen uitvoerig befclireven werden,

Het nut van de viiezen des oogs beftaat in het influi- ten en vervatten van de vochten deszelven; de vochten zijn er daarom, op dat de lichtftraalen er door gebro- ken en zoo beftuurd worden, dat ze zig op het netvlies vereenigen, en daardoor die gewaarwording ten wege brengen, welke men het zien nocmt

roe TAPE LL,

VAN *£ MAAKSEL EN DE LIGGING DER DEELEN DIE DEN MOND UITMAAKEN,

Mond (os) heeft in de ontleedkunde tweeerleic bedui- ding; cerftelijk betckent het alleendie dwarfe {pleet y welke zig tusfchen de kinen den neus bevindt; ten twee- den verftaat men er door die holligheid of dat ruim, het-