264 INGEWANDKUNDIGE TAFELEN.
giformes) heeten: dezelven zijn anders niet dan Kleene klieren, die een fijn fpeckfelvocht af- geeven, en op het menigvuldigst rondom het blinde gat gelegen zijn:
&. Eenigen zijn plat, doch eenigzins rond verhe- ven, en heeten half linzenvormige (papilla fe- milenticulares): deeze hebben in haare opper- vlakte kleene gaatjens, even gelijk een vinger- hoed, waardoor men meent dat een fijn vocht als doorzweet, en zijn op het menigvuldigst aan de zijdelijke deelen der tong te vinden:
y. Eenigen zijn zeer kleen, eenigzins langwerpig en week, en in grootere menigte dan de beide eerften voorhanden; zij heeten dons- of kegel- achtige of pijramiedswijze tepels (papilla villo- fe f. coniformes f. pyramidales), en zijn wezent- lijk zenuwtepelen, die over de gantfche opper- vlakte der tong, ook tusfchen de voorige in verfpreid zijn.
De bloedvaten der tong heeten kikvorsch (ranina) of ondertongs-ilagaderen en aderen (fublinguales), de eerfte van welke takken van den uitwendigen kropflagader zijn; de aderen ontlasten zig in den uitwendigen voorften krop- ader, en zij zijn aan de onderzijde der tong best te zien. De zenuwen der tong zijn de volgende: a. Het gantfche negende paar hersfenzenuwen, het welk tongzenuwen (linguale) heet: b. Een tak van den onderkaakszenuw, als de derde tak des vijfden paars.
De klieren der tong worden in de volgende tafel be- schreven, en
De watervaten zijn door den beroemden Ontleder, den Heer COSCHWITS ontdekt, en in zijne Disputatio de duc- tu falivali novo befchreven.
B. De keel (fauces), als het achterfte gedeelte des monds, is, gelijk reeds aangehaald is, die holte, welke tus- fchen het zachte gehemelte en de halswervelen gevon- den wordt zij is van rondsom met het gemeene vlies des monds bekleedt, en men bevindt er zes openingen aan; naamlijk,
1. Eene voorfte, die ftrot (glottis) heet, naar de long gaat, en wanneer men iet nederílikt, door de ftrot- klep (epiglottis) toegefloten wordt:
2.Eene achterfte, die het begin des flokdarms is;