INGEWANDKUNDIGE TAFELEN. 263
3. Twee bovenften, welke de achterfte openingen der neusgaten ziju :
4. Twee aan de zijden liggende, die naar beide ooren gaan, de openingen der trompetten van EUSTACHI- US (orificia tubarum EUSTACHII) genaamd worden.
19de TAFE L.
VAN DE SPEEKSELKLIEREN EN DERZEL-
VER BUIZEN,
peekfelklieren (glandula salivales) zijn die, welken uit tlag en bloed-aderen, watervaten, zenuwen, en af- fcheidingsbuizen beftaan, waarvan elk met een eigen rok omgeven, en ter afzonderinge deels van het fpeekfel, deels van een ander, naar fpeek fel gelijkend, vocht gefchikt is: men telt hier hoofdzaaklijk drie paar toe, naamlijk twee oor- (parotides), twee kaak. (maxillares) en twee on- der tongklieren (Sublinguales), welker affcheidingsbuizen men, hoewel bezwaarelijk, nog vindt, en die wezentlijk een speekfel afzonderen: de anderen, welken er ook on- der gerekend worden, zijn de kies (molares), wang- (buc. cales), lip (labiales), tong (linguales), gehemelte- (pa- latine), keellels (uvulares), en amandelklieren (tonfilla), dezelven zijn alle, den laatfte uitgezonderd, zeer kleen, zoo dat men naauwlijks haar, laat ftaan haare buizen, too- nen kan, die ook een fpeekfel - gelijk vocht afzonderen: ik zal ze gezamentlijk befchrijven.
1. De oorklieren zijn twee redelijk groote famengepakte klieren, waarvan er wederzijds ééne, tusfchen den hoek des onderften kaabbeens, het uitwendige oor en het tepel- wijs uitsteekfel gelegen is, uit elke van welken, naar voo- rep toe, door de vereeniging van veele kleene buizen, een witte en vliezige buis voordkomt, welke fchuinsch van achteren naar vooren over de uitwendige vlakte der kaauwfpier heen loopt, vervolgends de wangfpier door- boort, en in den mond, niet ver van 't bovenfte tand- vleesch, tusschen de tweede en derde kies, uitloopt: deeze buis heet bovenfte fpeekfelbuis (ductus falivalis fuperior), of, naar haaren ontdekker, buis van STENO, (Stenonianus).
Q. De kaakklieren zijn insgelijks twee in getal, waarvan
R 5