268 INGEWANDKUNDIGE TAFELEN.
osfeum): dit is het ploegbeen: zie de 15de Been- kundige tafel:
3. De bovenfte en onderfte, fponsbeenderen en de cel- len van het zeef been:
4. De achterite openingen der neusgaten (orificia po- fteri narium), die naar de keel gekeerd zijn:
5. De voorhoofdsboezems (finus frontales): dit zijn holligheden, die van het voortte en middenfte ge- deelte des voorhoofdsbeens gemaakt worden, en met één of twee openingen van boven in het hol der neusgaten uitloopen:
6. De kaakboezems (finus maxillares) of de holen van HIGHMOR (antra HIGHMOR1), die van het bo- venkaakbeen, en deszelfs inwendige oppervlakte ge- maakt worden, en insgelijk door eene opening ter zijde in het hol der neusgaten uitloopen:
7. De wiggebeens boezems (finus fphenoidales): dit zijn twee, en dikwerf ook maar ééne holte, die in het lichaam des wiggebeens gevonden worden, en door eene opening in het achterite en boveníte ge- deelte van 't hol der neusgaten uitloopen:
8. De traanzak (faccus lacrymalis): dit is een vliezige langwerpige zak, die in de neusgoot gelegen is, en met zijne buis achter het onderfte fponsbeen eindigt: 9. Het fnot- of flijm- vlies (membrana pituitaria f. muco- fa), naar deszelfs ontdekker het Schneideriaanfche genaamd: het is een eenigzins dik, doch week vlies, dat het geheele hol der neusgaten, de holte van al- le de boezems, de bovenfțe en onderfte fponsbeen- deren, de cellen van 't zeefbeen en het midden- fchot der neusgaten bekleedt, maar niet onmidde- lijk, want het is op 't onderliggende been- en kraakbeen- vlies gelegen.
Zij heeft veele zenuwen en bloedvaten: de zenuwen 21:
a. Het gantfche eerfte paar der hersfenen, het welk dat der reuk (olfactorium) heet, en alleenlijk tot den reuk dient: het gaat met verfcheidene veze- len door de gaten van 't zeefbeen, en verfpreidt zig met ontelbaare takverdeelingen door het gant- fche flijmvlies:
b. Eenige takverdeelingen van 't vijfde paar der hers fenen: deeze verdeelen zig in drie hoofdtakken, naamlijk in gezichts boven-en onderkaaks-tak: van