10 BEENKUNDIGE TAFELEN
rugtrekfters van 't uitwendige oor, ter inplantinge Itrekt:
h. Eene groef achter hetzelve, waarin zig de tweebuiki. ge fpier inplant:
i. Tusfchen het zelve, en het priemswijze uitfteek fel een gat, dat men voorfte tepelgat (foramen maßloideum an- terius) noemt, en het einde is van den Fallopiaanfchen waterleider (aqua ductus Fallopii), waardoor het har- de gedeelte der gehoorzenuw buitenwaards, en een kleene flagader naar binnen gaat:
k. Onder dit gat een kuil, die door den boezem van den ftrotader gemaakt wordt:
l. Een goot, kropflagader goot (canalis caroticus) ge- naamd, welke eene uitwendige opening heeft in de buitenste oppervlakte, en eene inwendige in den top van 't ftcenachtige gedeelte: door deeze goot neemt de inwendige kropflagader zijnen weg naar het bekke- neel; in dezelve wordt ook de tusfchenribbige ze. nuw gevormd:
m. De Euftachiaanfche trompet (tuba Euftachiana): ter zijde van denzelven
n. Eene infnijding, die het afgebroken gat (foramen disruptum) uitmaakt:
o. Een gat achter het tepelswijze uitsteekfel, het achter. tepelgat (foramen mastoideum pofterius) geheten, door 't welk een ader gaat; fomtijds ook een tak van den achterhoofds-flagader, die zig in het dikke hersfen- vlies verfpreidt.
8. De Inwendige verhevenheden en holligheden; naamlijk,
a. Een kuil in de binnenfte oppervlakte van 't fchub- achtig gedeelte, vóór de middenfte kwabben der groote hersfenen:
b. Verfcheidene groeven, van 't kloppen der flagaderen:
c. Eene kleenere groef, aan den boveníten hoek van het fteenachtige gedeelte, in welke de middenfte fteen- beensboezem ligt, en waaraan zig ook het dikke hers- fenvlies hecht:
d. De inwendige gehoorweg (meatus auditorius internus), in de achterfte oppervlakte van 't fteenachtige gedeel- te, in den welken de gehoorzenuw ingaat:
e. Een kleen gat achter denzelven, aan den achterften hock, door 't welk kleene bloedvaten naar 't flekken- huis gaan: