ZENUWKUNDIGE TAFELEN. 361
holte, door wier achterfte gedeelte hij verder voord- gaat, en eindelijk door het priemtepelgat eindigț: de harde zenuw gaat door decze buis, loopt op deezen wega cerftelijk op de binnenfte en voorfte vlakte van 't fteen- been, door de fplcct des Fallopiaanfchen waterleiders, incen met den fteenbecnszenuw, zijnde een tak van den terugloopenden vleugelzenuw, die van den tweeden tak des vijfden paars hersfenzenuwen zijnen oorfprong neemt; ten tweeden geeft hij in de trommelholte aan de ftijgbeugelfpier een takjen, en als hij door het priemte- pelgat uit zijne buis te voorfchijn gekomen is, loopt hij inëen met de trommelfnaar.
Hij brengt dan verder twee kleene takken voord: de bovenfte gaat in de hoogte, en breidt zig op de achter- fte oppervlakte van 't uitwendige oor uit, loopt aldaar ook met de takken van den oppervlakkigen flaapzenuw inëen de onderfte tak geeft aan de fpieren, die zig aan 't pricmswijs uitfteckfel hechten, aan de tweebuikige, als ook aan 't bovengedeelte der borsbeenstepelfpier zijne takjens.
Voords gaat de harde zenuw naar vooren door de zelfstandigheid van de oorklier, welke veele kleene tak- jens van hem ontvangt, waarvan zig eenige dieper in- waards begeeven, en fommige takken van den flaapflag- ader omvatten: de harde zenuw door de oorklier ge- gaan zijnde, deelt zig in twee takken, eenen bovenften en eenen onderften:
a. De boveníte tak gaat drie of vier lijnen voard, en deelt zig wederom incerendeels in zeven of agt takken, welke onder zig verfcheidene vlechten maaken, en met hunne ontelbaar veele takken zig deels in de fpie- ren des aangezichts, deels in de huid van 't zelve, uitbreiden, en met de takken van den onderhuidsze- nuw der wang en van den onderoogholszenuw incen loopen:
b. De onderfte tak van den harden zenuw gaat onder den hoek der onderkaak voord, en deelt zig in veele takken, die zig aan alle onder- en zijdelijke gedeelten des aangezichts uitbreiden, en zig aldaar door eene menigte in de huid loopende draaden eindigen: de takken deezes onderften taks loopen deels met de tak- ken des bovenften taks, decls met de takken van den eigen onderkaakszenuw en van den tweeden hals- zenuw incen.
Z 5,