ZENUWKUNDIGE TAFELEN. 363
gegeven heeft, begeeft hij zig van vooren op die plaats waar de onderfleutelbeens flagaderen hunnen oorfprong neemen, in de borst, en gaat achter de longen naar den flokdarm.
2. De 'dwaalende zenuw der rechter zijde gaat voor den onderfleutelbeensflagader, en heeft aldaar eenen aanzien- lijken tak die rechter terugloopende zenuw (nervus re- currens dexter) heet: deeze omringt den rechter onder- fleutelbeenstlagader, en gaat weder terug tot aan het ftrottenhoofd, waaraan hij, als ook aan den flokdarm, eenige zenuwtakjens geeft: hij verdeelt zig bij't flrotten- hoofd, met zijne takken in de ftrottenhoofds- en keel- fpieren, en inzonderheid in de fchildswijze kraakbeens- klier, eenige takken daarvan loopen binnen de kraak- beenderen van het ftrottenhoofd, met de takken van den benedenften ftrottenhoofds-zenuw ineen:
3. Er komt insgelijks uit den dwaaleuden zenuw ter lin- ker zijde een tak voord, die linker terugloopende zenuw (nervus finister recurrens) genaamd wordt: deeze komt een weinig laager uit den ftam dan de rechter, en loopt onder en om het dikke gedeelte van den boog des groo- ten flagaders; klimt vervolgends langs den flokdarm en de luchtpijp tot aan 't ftrottenhoofd op, en eindigt al- daar, zoo als die van de rechterzijde:
4. Aan die plaatfen, waar de terugloopende zenuwen hun- nen oorfprong krijgen, komen ook uit de beide ſtam- men van het dwaalend paar veele kleene takjens voord, die zig vereenigen met de zenuwtakjens, welken van de beide groote tusfchenribbige zenuwen voordkomen, en gezamentlijk op de bovenzijde van het hartezakjen, den hartevlecht (plexus cardiacus) uitmaaken, van welken veele zenuwtakjens afgaan, die zig gedeeltelijk in 't har- tezakjen, meerendeels echter in 't hart, in deszelfs oo- ren en groote bloedvaten verliezen:
5. Hierop gaan de dwaalende zenuwen langs de achter- zijden der longen voord, en geeven aan ieder kwab der- zelven verfcheidene takjens, welken met eenige daar bijkomende takjens van den grooten tusfchenribbigen zenuw veríterkt worden: deeze takken gaan, ter plaat- fe waar de longpijpen beginnen, kruiswijze over elkan- d en formeeren aldaar de longviccht (plexus pulmo- nalis), waarvan wederom veele takken voordkomen, die zig alomme op de longpijptakken en derzelver blaasjens verfpreiden: