Naar inhoud springen

Pagina:Ontleedkundige tafelen ... verrijkt met eenen ... bladwijzer, en aanhaalingen der plaaten van B. Eustachius (IA b22034043).pdf/398

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

390 KLIERKUNDIGE TAFELEN

ne, en wel onder den hoek der onderkaak, iet naar bin- nen, niet ver van de inwendige vleugelfpier, tusfchen de twecbuikige en de huidfpier van den hals gelegen is, en eene buis uit zig voordzendt, die tusfchen de spieren der tong en des tongebeens doorgaat, en zig aan de zij- de van het toomtjen onder de tong opent: deeze buis brengt insgelijks fpeckfel in den mond, en wordt onder- fte fpeekfelbuis, en, naar haaren ontdekker, de Warthe- niaanfche geheten:

6. De ondertongklieren (glandule fublinguales): dus wor- den die twee cenigzins langwerpige klieren genaamd, welken onmiddelijk onder de tong gelegen zijn, en door de tusfchen haar gelegene kin-tong-beensfpieren van cl- kander gefcheiden worden; uit elk van welk kleene buizen voordkomen, welke ter zijde in den mond, tus- fchen de zijdelijke deelen der tong en het onder - tand- vleesch, uitloopen:

7. De kauwklieren (glandula molares): dit zijn twee kleene klieren, waarvan er wederzijds eene tusfchen de kaauw- en wang fpieren gelegen is, en zig niet ver van de laat- fte kies met haare buis opent.

3. De amandelen (tonfille j. amygdala): deeze zijn twee groote klieren, waarvan er aan elke zijde des monds ee- ne, tusfchen den boog van 't zachte gehemelte gelegen is, die door kleene ontlastbuizen een kleverig vocht afzonderen:

9. De mond- (buccales), lip. (labiales), tong- (linguales), gehemelte (palatine), en keellel-klieren. (uvulares): dusdanige zijn die kleene blaasachtige klieren, welken in de deelen, waarvan zij haaren naam ontvangen, ge- Iegen zijn, en wel in den gemeenen rok des monds, wel- ke van derzelver ontlastbuizen doorboord wordt: zij zon- deren een naar fpeekfel gelijkend vocht af:

10. De uitwendige oorfmeer - klieren van 't oor (gland: auris externe ceruminofa): het zijn die geele blaasach- Lige klieren, welken op de binnenzijde der huid, waar- mede de uitwendige gehoorweg bekleed is, gelegen zijn, en het vocht, dat men oorfmeer noemt, afzonde- ren:

11. De fnotklieren van 't flijmvlies (gland: mucose mem- brane pituitaria) zijn kleene klieren, welke hier en daar in 't flijmvlies, bijzonder aan 't middenfchot van den neus, te vinden zijn: zij zonderen het lijm mede af: